ECLI:NL:RBAMS:2026:1041

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
C/13/767439 / HA ZA 25-928
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot deskundigenonderzoek naar echtheid handtekening bij overname tandartspraktijk

In deze civiele zaak staat centraal de vraag welke prijs betaald moet worden voor de overname van een tandheelkundige praktijk. Partijen verschillen van mening over de echtheid van een ondertekend document van 1 juni 2022, dat door de gedaagde is overgelegd. De eiseres betwist dat zij dit document heeft ondertekend.

De rechtbank gaat in op bezwaren van de eiseres tegen de door de gedaagde ingediende akte en producties, maar wijst deze grotendeels af. Tevens bevestigt de rechtbank dat bindende eindbeslissingen uit het tussenvonnis van 3 december 2025 niet worden herzien, omdat daarvoor geen onjuiste feitelijke of juridische grondslag is gebleken.

De rechtbank beveelt een deskundigenonderzoek naar de echtheid van de handtekening, ondanks dat alleen een scan van het document beschikbaar is. De heer ing. C. Verhulst van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau wordt als deskundige benoemd, ondanks bezwaren van de eiseres over mogelijke partijdigheid. De rechtbank stelt duidelijke voorwaarden en vragen voor het onderzoek en regelt de procedure rond kosten, betaling en rapportage.

Verder wordt vastgesteld dat de gedaagde een bedrag van € 2.206,31 ten onrechte heeft verrekend in juli 2023. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissingen na ontvangst van het deskundigenrapport.

Uitkomst: De rechtbank beveelt een deskundigenonderzoek naar de echtheid van de handtekening en benoemt een onafhankelijke deskundige, terwijl verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/767439 / HA ZA 25-928
Vonnis van 28 januari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. M.L. Cohen,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E.A. Kadijk.

1.De zaak in het kort

1.1.
Dit vonnis is een vervolg op het tussenvonnis van 3 december 2025. Het gaat in de kern nog over de vraag welke prijs zou worden betaald voor de overname van een tandheelkundige praktijk. Partijen hebben hierover uiteenlopende standpunten, waarbij [gedaagde] zich heeft beroepen op een ondertekend document van 1 juni 2022. [eiseres] betwist dat zij dit document heeft ondertekend. De rechtbank heeft in voornoemd tussenvonnis al aangekondigd dat een deskundige zal moeten beoordelen of de handtekening onder het door [gedaagde] overgelegde stuk van [eiseres] afkomstig is. In dit vonnis zal de rechtbank die deskundige benoemen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 december 2025 (hierna: het tussenvonnis) en de daarin genoemde stukken,
- de akte na tussenvonnis, tevens antwoord akte deskundigenonderzoek en verrekening, van [eiseres] ,
- de akte uitlaten deskundigenonderzoek en verrekening van [gedaagde] , met producties,
- het bericht van [eiseres] van 2 januari 2026 met bijlage, waarin is verzocht om de door [gedaagde] overgelegde akte inclusief producties buiten beschouwing te laten en de bijgevoegde akte daarvoor in de plaats te stellen,
- de rolbeslissing van de rechtbank van 9 januari 2026.
3. De verdere beoordeling in conventie
3.1.
In dit vonnis komen vier punten aan bod. Het eerste punt gaat over het bezwaar van [eiseres] tegen de door [gedaagde] ingediende akte. Het tweede punt betreft de vraag of de rechtbank moet terugkomen van bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis. Het derde punt gaat over het deskundigenonderzoek en het laatste punt over het door [gedaagde] in juli 2023 verrekende bedrag.
Het bezwaar van [eiseres] tegen de akte van [gedaagde]
3.2.
[eiseres] stelt dat [gedaagde] zich niet heeft gehouden aan de instructies van het tussenvonnis omdat hij een andere akte naar de rechtbank heeft gezonden dan het concept dat [eiseres] heeft ontvangen. Daarbij heeft [gedaagde] ook nieuwe producties gevoegd die niet eerder aan [eiseres] zijn verstrekt. [eiseres] verzoekt daarom om de door [gedaagde] ingediende akte, inclusief producties, buiten beschouwing te laten en de eerdere concept-akte daarvoor in de plaats te stellen.
3.3.
De rechtbank gaat aan dit bezwaar voorbij. Na een vergelijking van de concept-akte met de definitieve akte van [gedaagde] , blijkt dat er nauwelijks verschil is tussen deze twee aktes. Voor zover hiervan wel sprake is, heeft dat te maken met de reactie van [gedaagde] op de concept-akte van [eiseres] . In het tussenvonnis is aangegeven dat partijen in hun eigen definitieve akte op de concept-akte van de andere partij konden reageren, zodat dit is toegestaan. Voor zover het gaat om de inhoud van de randnummers 13 tot en met 16 van de akte van [gedaagde] en de door [gedaagde] ingediende producties, worden deze niet bij de beslissing in dit vonnis betrokken. Dit is slechts anders voor productie 31, maar deze ziet op de betaling van [gedaagde] aan [eiseres] van 31 juli 2023 en het standpunt daarover van [gedaagde] komt overeen met het standpunt van [eiseres] , zoals hierna in r.o. 3.18 wordt besproken. [eiseres] zal op een later moment nog mogen reageren op de randnummers 13 tot en met 16 van de akte van [gedaagde] en de producties 28, 29, 30 en 32 van [gedaagde] . Het ligt voor de hand dat dat gebeurt in de conclusie na deskundigenbericht.
Geen reden om terug te komen van bindende eindbeslissingen
3.4.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank een aantal uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissingen genomen. Dat zijn bindende eindbeslissingen. De stellingen van partijen in hun uitlating na het tussenvonnis komen erop neer dat de rechtbank van een aantal van die bindende eindbeslissingen zou moeten terugkomen omdat deze zouden berusten op een onjuiste feitelijke grondslag. Zo heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij haar beslissing dat [gedaagde] de samenwerking met [eiseres] mocht opzeggen omdat [eiseres] ten onrechte behandelingen van tandtechnicus [naam 1] op haar naam heeft gedeclareerd en [gedaagde] daardoor is benadeeld, heeft miskend dat tandtechnicus [naam 1] niet in dienst is bij de praktijk, maar een externe/zelfstandige behandelaar is die vanuit zijn eigen onderneming de tandtechnische kosten aan de praktijk declareert waarvan de praktijk de vergoeding bij de zorgverzekeraar moet declareren. Verder meent [gedaagde] dat de beslissing van de rechtbank dat [eiseres] de door tandartsassistent [naam 2] uitgevoerde werkzaamheden als omzet op haar naam mocht declareren, onjuist is omdat deze werkzaamheden op zijn naam moesten worden gedeclareerd.
3.5.
De rechtbank ziet op dit moment geen reden om terug te komen van eerdere bindende eindbeslissingen. Uitgangspunt is dat van eindbeslissingen in dezelfde instantie niet wordt teruggekomen en dat die enkel kunnen worden bestreden in hoger beroep. Dit is slechts anders als een eerder gegeven eindbeslissing berust op een onjuist gebleken juridische of feitelijke grondslag. [1] Niet is komen vast te staan dat hiervan sprake is, omdat op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd niet kan worden vastgesteld dat wat zij zeggen juist is.
Het deskundigenonderzoek
3.6.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om een deskundige te benoemen. In hun aktes na het tussenvonnis hebben partijen zich hierover uitgelaten.
3.7.
[eiseres] verzoekt een deskundigenonderzoek naar de echtheid van de handtekening achterwege te laten omdat [gedaagde] niet meer over het originele ondertekende document beschikt, maar uitsluitend over een scan daarvan. Volgens [eiseres] is de betrouwbaarheid van het onderzoek naar een scan vele malen lager en kan een scan gemakkelijker worden gemanipuleerd. Daarnaast stelt zij dat de uitkomst van het onderzoek ontoereikend zal zijn voor een rechterlijk oordeel, gelet op de grote mate van onzekerheid, en dat de kosten hiervan niet opwegen tegen de te behalen uitkomst. [gedaagde] acht het daarentegen wel wenselijk om een deskundige te benoemen om de echtheid van de handtekening te controleren.
3.8.
De rechtbank constateert dat [gedaagde] het originele document van 1 juni 2022 niet bij akte van depot heeft gedeponeerd omdat [gedaagde] stelt niet meer over het origineel te beschikken. Hoewel [eiseres] er terecht op wijst dat de kans aanwezig is dat een onderzoek naar de echtheid van een handtekening op basis van een gescand document minder bruikbaar zal zijn dan onderzoek op basis van het originele document, acht de rechtbank een onderzoek op basis van het gescande document toch zinvol. De rechtbank kan immers op dit moment niet vaststellen of de op het document geplaatste handtekening al dan niet van [eiseres] afkomstig is. Een deskundigenonderzoek kan hier mogelijk wel meer duidelijkheid over verschaffen. De rechtbank zal daarom in dit vonnis het deskundigenonderzoek bevelen.
Deskundige
3.9.
De rechtbank begrijpt uit de aktes van partijen dat zij het erover eens zijn dat met één deskundige kan worden volstaan. Over de persoon van de te benoemen deskundige hebben partijen geen overeenstemming bereikt. [gedaagde] heeft de heer ing. C. Verhulst verbonden aan het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V. (hierna: het NFO) voorgesteld. [eiseres] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Volgens haar kan het NFO het onderzoek niet meer onafhankelijk uitvoeren omdat [gedaagde] al contact met het NFO heeft opgenomen. [eiseres] verzoekt daarom een andere deskundige te benoemen.
3.10.
De rechtbank ziet in het bezwaar van [eiseres] geen aanleiding om C. Verhulst als deskundige uit te sluiten. Dat er kort contact is geweest tussen (de advocaat van) [gedaagde] en het NFO, betekent niet dat de deskundige zijn onderzoek niet meer onafhankelijk en onpartijdig zou kunnen uitvoeren. De rechtbank heeft daarom het NFO benaderd met de vraag of C. Verhulst in staat en bereid is om het onderzoek te verrichten. Het NFO heeft dit namens C. Verhulst aan de rechtbank bevestigd en verklaard dat het Verhulst vrij staat het onderzoek uit te voeren. De rechtbank zal hem daarom als deskundige benoemen.
Vragen
3.11.
Partijen zijn het erover eens dat de in het tussenvonnis opgenomen vragen aan de deskundige kunnen worden gesteld, maar hebben daarbij allebei een extra vraag opgenomen. De rechtbank ziet geen reden voor toevoeging van de door [gedaagde] voorgestelde vraag, waarbij het door [gedaagde] overgelegde document van 1 juni 2022 wordt vergeleken met de stukken die [gedaagde] als productie 28 en 29 heeft ingediend. Het staat partijen vrij om in het kader van het onderzoek de deskundige te verzoeken of hij van bepaalde stukken kennis wil nemen. De rechtbank laat het echter aan de deskundige over om te bepalen of hij deze stukken al dan niet bij zijn onderzoek wil betrekken en hoe hij zijn onderzoek uitvoert. De rechtbank ziet wel voldoende aanleiding voor toevoeging van de door [eiseres] voorgestelde vraag, omdat de deskundige dan bij zijn onderzoek kan betrekken of is vast te stellen of de handtekening daadwerkelijk op het document van 1 juni 2022 is geplaatst. De vragen die aan de deskundige zullen worden voorgelegd, staan hierna in de beslissing vermeld.
Voorschot
3.12.
Op verzoek van de rechtbank heeft de deskundige een inschatting gemaakt van zijn kosten. De kosten voor het onderzoek zijn op 15 januari 2026 voorlopig begroot op € 4.023,25 (inclusief btw). De rechtbank zal die begroting aan partijen voorleggen, tenzij de deskundige binnen twee weken na dit vonnis laat weten dat die begroting actualisering of aanpassing behoeft. In dat geval zal de geactualiseerde begroting aan partijen worden voorgelegd.
3.13.
In het tussenvonnis is al aangekondigd en toegelicht welke partij het voorschot op de kosten van de deskundige moet betalen. De rechtbank blijft erbij dat het voorschot door [gedaagde] moet worden betaald.
Slotopmerkingen
3.14.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
3.15.
Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
3.16.
Na het deskundigenbericht zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich daarover uit te laten.
Verrekening juli 2023
3.17.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over welk bedrag in juli 2023 door [gedaagde] is ingehouden en daarbij verzocht een betaalbewijs van de betaling van [gedaagde] aan [eiseres] op 31 juli 2023 te overleggen.
3.18.
Partijen hebben hieraan uitvoering gegeven en hierover eensluidend toegelicht dat [gedaagde] op de betaling aan [eiseres] in juli 2023 een bedrag van € 2.206,31 heeft ingehouden vanwege het declareren van werkzaamheden die door tandartsassistent [naam 2] werden uitgevoerd. Dat bedrag is dus ten onrechte te veel door [gedaagde] verrekend.
Iedere verdere beslissing
3.19.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:
1. Kunt u vaststellen of, en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid de handtekening die staat onder de naam van [eiseres] op het door [gedaagde] als productie 2 bij de conclusie van antwoord overgelegde document van 1 juni 2022 is geplaatst door [eiseres] ? Kunt u uiteenzetten hoe u tot uw antwoord bent gekomen?
2. Indien u van oordeel bent dat de handtekening afkomstig is van [eiseres] , kunt u aangeven of met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat deze handtekening daadwerkelijk door [eiseres] op het betreffende document is geplaatst (of dat het mogelijk is dat de handtekening op een andere manier, bijvoorbeeld door knip- en plakwerk of een andere (reproductie)techniek, in dat document is opgenomen)? Kunt u uiteenzetten hoe u tot uw antwoord bent gekomen?
3. Heeft u verder nog opmerkingen waarvan u denkt dat die van belang zijn?
4.2.
benoemt tot deskundige:
de heer ing. C. Verhulst,
verbonden aan het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V.,
correspondentie- en bezoekadres: [adres] ,
telefoon: [telefoonnummer] ,
e-mailadres: [e-mailadres 1] ,
4.3.
bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis en van het tussenvonnis van 3 december 2025 aan de deskundige zal toezenden,
het voorschot
4.4.
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:
- de deskundige moet het
binnen twee wekenna de datum van deze beslissing aan de griffie laten weten als zijn op 15 januari 2026 opgegeven begroting van de kosten aanpassing behoeft; in dat geval moet de deskundige een nieuwe begroting opgeven, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten,
- de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen,
- partijen kunnen desgewenst
binnen twee wekenna dagtekening van de brief/het bericht van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting,
- als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige worden vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag,
- als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de rechtbank worden vastgesteld,
4.5.
bepaalt dat [gedaagde] het voorschot dient over te maken
binnen twee wekenna de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
4.6.
draagt de griffier op de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van betaling van het voorschot,
het onderzoek
4.7.
bepaalt dat (de advocaat van) [gedaagde]
binnen twee wekenna vandaag het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,
4.8.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
4.9.
wijst de deskundige erop dat:
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),
- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
4.10.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,
het schriftelijk rapport
4.11.
draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
4.12.
wijst de deskundige erop dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
4.13.
bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
4.14.
bepaalt dat de deskundige in geval van onduidelijkheden, vragen of opmerkingen over deze uitspraak, het onderzoek of de kosten contact dient op te nemen met het deskundigenbureau van de rechtbank ( [e-mailadres 2] ),
4.15.
verwijst de zaak naar de parkeerrol van
woensdag 7 oktober 2026,
4.16.
draagt de griffier op om de zaak op een eerdere rol te plaatsen:
- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of
- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht door beide partijen gelijktijdig op een termijn van vier weken,
4.17.
houdt iedere verdere beslissing aan,
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.

Voetnoten

1.HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521 en HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224.