ECLI:NL:RBAMS:2025:9988

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
778694
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil in kort geding over schorsing van een vonnis met betrekking tot onrechtmatige concurrentie

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam op 11 december 2025, gaat het om een kort geding waarin eisers, bestaande uit meerdere vennootschappen, een schorsing van de tenuitvoerlegging van een eerder vonnis vorderen. Dit vonnis, dat op 19 februari 2025 is uitgesproken, verklaarde dat eisers tekort zijn geschoten in de nakoming van een concurrentieverbod. Door een procesfout van hun advocaat is er geen verweer gevoerd in de bodemprocedure, wat heeft geleid tot een verstekvonnis. Eisers hebben hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis en vorderen nu in kort geding dat de tenuitvoerlegging wordt geschorst totdat er een einduitspraak in het hoger beroep is gedaan.

De voorzieningenrechter heeft de belangen van beide partijen afgewogen. Aan de zijde van eisers is er een belang om de kosten van een schadestaatprocedure te vermijden, terwijl aan de zijde van Bies c.s. het belang ligt bij een snelle uitspraak over hun schadevordering. De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van eisers zwaarder weegt, omdat de grondslag van de aansprakelijkheid nog niet vaststaat en de uitkomst van de schadestaatprocedure daardoor onzeker is. De voorzieningenrechter heeft de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis met onmiddellijke ingang toegewezen, onder de voorwaarde dat eisers binnen zes weken na heden van grieven dienen in het hoger beroep. Tevens is Bies c.s. veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van eisers zijn begroot op een totaal van € 2.138,35, inclusief wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/778694 / KG ZA 25-929 VVV/MAH
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 11 december 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

2.
[eiser 2] B.V.,
3.
[eiser 3] B.V.,
4.
KYARA VASTGOED B.V.,
allen te [woon-/vestigingsplaats] ,
eisende partijen bij dagvaarding van 18 november 2025,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaten: mr. E.W.M. Rinnooy Kan en mr. G.H. Booij,
tegen

1.BIES GROEP B.V.,

te Marum, gemeente Westerkwartier,
2.
BIES FIJNMECHANICA B.V.,
te Heerenveen,
3.
BIES B.V.,
te Marum, gemeente Westerkwartier,
4.
KYARA B.V.,
te Marum, gemeente Westerkwartier,
5.
METIS B.V.,
te Ooststellingwerf,
6.
BIES METAAL B.V.,
te Marum, gemeente Westerkwartier,
7.
METAALBEWERKING BIES B.V.,
te Marum, gemeente Westerkwartier,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Bies c.s.,
advocaat: M.J. Elkhuizen.
Het kort geding wordt gehouden in de rechtbank Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. T.H. van Voorst Vader, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier.
Aanwezig zijn:
- aan de kant van [eisers] : [eiser 1] (via videoverbinding) met mr. Rinnooy Kan en mr. Booij,
- aan de kant van Bies c.s.: [naam 1] en [naam 2] (bestuurders Bies Groep B.V.) met mr. Elkhuizen.

1.De procedure

Partijen hebben op de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 29a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 12 december 2025 aan partijen wordt verstrekt.

2.De mondelinge uitspraak

2.1.
Bies c.s. heeft een bodemzaak aangespannen tegen [eisers] over onrechtmatige concurrentie. Door nalaten van de raadsman van [eisers] is geen conclusie van antwoord genomen in die procedure. Als gevolg daarvan is er een uitspraak in eerste instantie gedaan zonder dat er inhoudelijk debat heeft plaatsgevonden. In dat vonnis van 19 februari 2025 is voor recht verklaard dat [eisers] tekort is geschoten in de nakoming van een concurrentieverbod en hij aansprakelijk is voor dientengevolge geleden schade nader op te maken bij staat. Bij herstelvonnis van 8 oktober 2025 is deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vonnissen worden hierna tezamen aangeduid als: het Vonnis.
2.2.
[eisers] heeft hoger beroep aangetekend tegen het Vonnis. Bies c.s. heeft een schadestaatprocedure gestart. [eisers] vordert in dit kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging van het Vonnis en een bevel de schadestaatprocedure aan te houden totdat einduitspraak in het hoger beroep is gedaan.
2.3.
De vraag die voorligt, is of de tenuitvoerlegging van het Vonnis moet worden geschorst. Het gaat hier om een executiegeschil met betrekking tot een vonnis waarin de uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet is gemotiveerd. Volgens het Zeester-arrest (Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026) geldt dan de volgende maatstaf.
Uitgangspunt is dat een vonnis direct ten uitvoer kan worden gelegd en de uitkomst van het hoger beroep niet hoeft te worden afgewacht. Nu de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet is gemotiveerd, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken als er omstandigheden zijn die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de verkregen veroordeling ten uitvoer kan leggen. Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de inhoud van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep moet in beginsel buiten beschouwing worden gelaten. Wel kan de voorzieningenrechter in zijn oordeelsvorming betrekken of het ten uitvoer te leggen vonnis berust op een kennelijke (feitelijke of juridische) misslag (een overduidelijke vergissing). De voorzieningenrechter overweegt dat De Hoge Raad hierbij uitgaat van een vonnis op tegenspraak. Aan het vonnis waar het hier om gaat liggen echter geen partijdebat en mede daarop gebaseerde vaststellingen en oordelen ten grondslag. Die omstandigheid is van belang bij de belangenafweging. Dat de kans van slagen van een rechtsmiddel buiten beschouwing blijft, geldt niet onverkort bij verstekvonnissen of een uitspraak die daar inhoudelijk mee overeenkomt (zie bijv.
Rechtbank Amsterdam 3 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5305).
2.4.
De voorzieningenrechter moet een belangenafweging maken en weegt daarbij de navolgende belangen.
2.5.
Het belang van [eisers] bij de schorsing is primair gelegen in zijn belang om de inspanningen en kosten te vermijden van een schadestaatprocedure terwijl het inhoudelijk debat over de aansprakelijkheid van [eisers] nog niet gevoerd is. De uitkomst van een schadeprocedure kan beïnvloed worden door de uitkomst van de hoofdzaak in hoger beroep en de schadestaatprocedure zou daardoor zelfs geheel onnodig kunnen worden. [eisers] heeft belangrijke feitelijke en inhoudelijke verweren die nog niet inhoudelijk in rechte bestreden zijn. Daarnaast voert [eisers] aan dat er een levensgroot restitutierisico is. Bies c.s. heeft immers substantiële liquiditeitstekorten.
2.6.
Bies c.s. heeft belang bij een snelle uitspraak over haar schadevordering. Zij wil niet het nadeel lijden van vertraging van de procedure die het gevolg is van een beroepsfout van de advocaat van [eisers] en die daarmee in de risicosfeer ligt van [eisers] Bies c.s. heeft belang bij de schade-uitkering vanwege haar financiële tekorten, die volgens haar juist te wijten zijn aan de concurrentie door [eisers]
2.7.
De belangenafweging valt uit in het voordeel van [eisers] . Het is strijdig met de proceseconomie om een schadestaatprocedure te volvoeren in de omstandigheid dat de grondslag van de aansprakelijkheid onvoldoende vaststaat. De uitslag van het inhoudelijk debat daarover valt nu niet te voorspellen. Dit betekent ook dat het nut van een eventuele toewijzing in de schadestaatprocedure twijfelachtig is. De samenloop van het hoger beroep en de schadestaatprocedure kan bovendien tot procedurele complicaties leiden. Het is ongelukkig dat Bies c.s. nadeel lijdt van het procedurele ongeluk aan de zijde van [eisers] in eerste instantie, maar dit is helaas niet te vermijden. Daarbij komt ten slotte dat het restitutierisico voor [eisers] serieus te nemen is.
2.8.
Om dit nadeel voor Bies c.s. te beperken, is het wel zaak dat [eisers] voortvarend doorprocedeert in het appèl. De schorsing zal dan ook worden uitgesproken onder de ontbindende voorwaarde dat [eisers] binnen zes weken na heden van grieven dient in het hoger beroep. Dit betekent dat de vordering, met die voorwaarde, zal worden toegewezen in die zin dat de tenuitvoerlegging van het Vonnis met onmiddellijke ingang wordt geschorst en dat Bies c.s. wordt bevolen te vragen om aanhouding van de schadestaatprocedure zolang in het hoger beroep van het Vonnis geen einduitspraak is gewezen. Dat verzoek moet Bies c.s. eveneens onmiddellijk, dat wil zeggen uiterlijk 12 december 2025, indienen bij de Rechtbank Amsterdam.
2.9.
Bies c.s. wordt in de proceskosten, met wettelijke rente, veroordeeld en dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
3.1.
schorst met onmiddellijke ingang de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 19 februari 2025, zoals aangevuld/ hersteld bij vonnis van 8 oktober 2025 (zaaknummer C/13/759524 / HA ZA 24-1254) en beveelt Bies c.s de Rechtbank Amsterdam te verzoeken de op grond van het Vonnis geïnitieerde schadestaatprocedure aan te houden totdat in het hoger beroep van het Vonnis einduitspraak is gewezen,
3.2.
verklaart de schorsing en de aanhouding, bedoeld in 3.1, vervallen indien [eisers] niet uiterlijk op 22 januari 2026 van grieven heeft gediend in het hoger beroep,
3.3.
veroordeelt Bies c.s. in de proceskosten (inclusief nakosten), die aan de kant van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
139,35
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals hierna vermeld)
Totaal
2.138,35,
te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met – indien het vonnis wordt betekend – € 92,00 plus de kosten van betekening,
3.4.
veroordeelt Bies c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.
Type: MAH
Coll: EV