In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam op 11 december 2025, gaat het om een kort geding waarin eisers, bestaande uit meerdere vennootschappen, een schorsing van de tenuitvoerlegging van een eerder vonnis vorderen. Dit vonnis, dat op 19 februari 2025 is uitgesproken, verklaarde dat eisers tekort zijn geschoten in de nakoming van een concurrentieverbod. Door een procesfout van hun advocaat is er geen verweer gevoerd in de bodemprocedure, wat heeft geleid tot een verstekvonnis. Eisers hebben hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis en vorderen nu in kort geding dat de tenuitvoerlegging wordt geschorst totdat er een einduitspraak in het hoger beroep is gedaan.
De voorzieningenrechter heeft de belangen van beide partijen afgewogen. Aan de zijde van eisers is er een belang om de kosten van een schadestaatprocedure te vermijden, terwijl aan de zijde van Bies c.s. het belang ligt bij een snelle uitspraak over hun schadevordering. De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van eisers zwaarder weegt, omdat de grondslag van de aansprakelijkheid nog niet vaststaat en de uitkomst van de schadestaatprocedure daardoor onzeker is. De voorzieningenrechter heeft de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis met onmiddellijke ingang toegewezen, onder de voorwaarde dat eisers binnen zes weken na heden van grieven dienen in het hoger beroep. Tevens is Bies c.s. veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van eisers zijn begroot op een totaal van € 2.138,35, inclusief wettelijke rente.