ECLI:NL:RBAMS:2025:9753

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
25/158, 25/159 & 25/160
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 6:162 BWArt. 7:213 BWArt. 7:218 BWArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt dat minister schuld uit huurovereenkomst moet overnemen op grond van Wht

Eiseres, slachtoffer van de Toeslagenaffaire, vordert dat de minister haar schulden overneemt op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister weigerde de overname van bepaalde schulden met het argument dat deze voortvloeien uit een onrechtmatige daad en daarom niet voor overname in aanmerking komen.

De rechtbank stelt vast dat de minister de schuld ten onrechte als onrechtmatige daad heeft aangemerkt. Zowel de voormalige verhuurder als de schuldeisers hebben expliciet verklaard dat er geen sprake is van een onrechtmatige daad, maar van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. De rechtbank baseert dit op artikel 7:218 BW Pro, dat aansprakelijkheid regelt bij tekortkomingen in huurovereenkomsten.

De rechtbank verklaart de beroepen tegen de weigering tot overname gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en bepaalt dat de minister de volledige schuld moet overnemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres. De rechtbank verklaart de beroepen ontvankelijk ondanks termijnoverschrijding vanwege bijzondere omstandigheden.

De uitspraak vervangt de vernietigde besluiten en bevestigt dat schulden voortkomend uit huurovereenkomsten en niet uit onrechtmatige daden voor overname in aanmerking komen. De minister wordt veroordeeld tot volledige overname van de betreffende schulden en vergoeding van kosten.

Uitkomst: De minister moet de volledige schuld overnemen en de proceskosten aan eiseres vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/158, 25/159 & 25/160

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Kandhai).

Samenvatting

1. Eiseres is slachtoffer van de Toeslagenaffaire. Deze uitspraak gaat over meerdere besluiten. In één besluit heeft de minister geweigerd om een schuld van eiseres over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister stelt zich op het standpunt dat deze schuld is ontstaan vanuit een onrechtmatige daad en daardoor op grond van artikel 4.1, vierde lid, sub c van de Wht niet voor overname in aanmerking komt. In andere besluiten heeft de minister de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze niet tijdig zouden zijn ingediend. Eiseres is het hier niet mee eens en voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de schuld ten onrechte heeft aangemerkt als schuld die is ontstaan uit een onrechtmatige daad en komt tot het oordeel dat verweerder de schuld moet overnemen. De overige bezwaren worden ontvankelijk verklaart en eiseres heeft voor die zaken ook recht op een proceskostenvergoeding in bezwaar. Eiseres krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres is erkend gedupeerde van de Toeslagenaffaire. Zij heeft tweemaal een schuldenlijst toegestuurd aan [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ) met daarop een aantal schulden bij verschillende schuldeiseres. Eiseres heeft de [bedrijf 1] verzocht om deze schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) over te nemen.
4. Met de primaire besluiten van 24 april 2024 ( [nummer 1] ), 1 mei 2024 ( [nummer 2] ) en 18 juni 2024 ( [nummer 3] ) heeft de [bedrijf 1] , namens de minister, beslist op overname van deze schulden. [bedrijf 1] heeft met verwijzing naar een cijfercode, bepaald de schulden van eiseres bij [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] en [bedrijf 6] niet over te nemen.
5. Met de drie bestreden besluiten van 27 november 2024 (bestreden besluiten I, II en III) op de bezwaren van eiseres is verweerder voor vier van deze schulden bij deze weigering tot overname gebleven. De schuld bij [bedrijf 5] wordt wel overgenomen. Eiseres is daarnaast in de bestreden besluit II en III niet ontvankelijk verklaart, wegens het niet tijdig indienen van haar bezwaar.
5.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze bestreden besluiten. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
6. Naar aanleiding van het beroep, heeft verweerder ambtshalve besloten de schuld bij [bedrijf 2] ( [bedrijf 7] ) over te nemen. Zij heeft hiervoor op 30 juli 2025 een herziene beslissing op bezwaar genomen (betreden besluit IV).
6.1.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en haar gemachtigden mr. J.S. Vlieger en mr. I.M.F. van der Bragt aan deelgenomen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.R. Kanhai.
6.2.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Op de zitting is gesproken over de schuld ter hoogte van € 3.266,57,- bij [bedrijf 8] (een schuld die onder schuldeiser [bedrijf 3] valt). Partijen zijn het met elkaar eens dat niet alle schuldenposten voortkomen uit een onrechtmatige daad. Eiseres heeft ook 10 jaar in de woning gewoond, waardoor er ook onderhoudskosten zijn die binnen de normale contactrisico’s van een huurovereenkomst vallen ofwel een gevolg zijn van het niet goed nakomen van het huurcontract, maar geen onrechtmatige daad opleveren. Op 7 augustus 2025 heeft eiseres een overzicht overgelegd, waarin zij aangeeft het redelijk te vinden dat verweerder toch de volledige resterende vordering overneemt. Verweerder heeft op zijn beurt op 1 september 2025 laten weten toch te vinden dat er sprake is van een onrechtmatige daad en de schuld niet over te nemen.
7. De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het bestreden besluit I van 27 november 2024 (met kenmerk [nummer 3] ) zaaknummer AMS 25/159
8. De rechtbank stelt vast dat verweerder hangende het beroep een herziene beslissing op het bezwaar heeft genomen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep van eiseres mede betrekking op deze herziene beslissing op bezwaar.
9. Nu verweerder met de herziene beslissing op bezwaar het bestreden besluit I heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I. De rechtbank zal daarom het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaren.
10. De rechtbank zal hieronder het beroep tegen het bestreden besluit IV inhoudelijk beoordelen en de overige twee bestreden besluiten van 27 november 2024 (met de kenmerken [nummer 2] en [nummer 1] ) verder behandelen.
Het beroep tegen het bestreden besluit IV van 30 juli 2025 (met kenmerk [nummer 3] ) (AMS 25/159) en de bestreden besluiten II en III van 27 november 2024 met de kenmerken [nummer 2] (AMS 25/160) en [nummer 1] (AMS 25/158)
Ontvankelijkheid
11. Voor zover de minister heeft betoogd dat eiseres te laat in bezwaar is gegaan tegen de bestreden besluiten II en IV met de kenmerken [nummer 3] en [nummer 2] en daardoor niet-ontvankelijk is in bezwaar, volgt de rechtbank dit standpunt niet.
11.1.
Eiseres heeft op 28 november 2023 en 1 januari 2024 een schuldenlijst met haar schulden toegestuurd aan de [bedrijf 1] . Vervolgens heeft de [bedrijf 1] aan de hand van deze schuldenlijsten, drie primaire besluiten genomen op 24 april 2024, 1 mei 2024 en 18 juni 2024.
11.2.
Eiseres is met de besluiten van 24 april 2024 en 18 juni 2024 pas bekend geraakt toen zij haar dossierstukken in de andere procedures kreeg. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Zij kan zich daarnaast ook inbeelden dat eiseres als slachtoffer van de Toeslagenaffaire een diepgewortelde angst heeft ontwikkeld voor het ontvangen en openen van officiële post en dat zij mogelijk niet in staat was adequaat te reageren of de inhoud en gevolgen van dergelijke brieven te overzien. Nu uit de dossiers blijkt dat de gemachtigde van eiseres zo spoedig mogelijk (respectievelijk op 17 mei 2024 en 22 augustus 2024) nadat hij bekend is geraakt met deze primaire besluiten bezwaar heeft gemaakt, maakt dat dat de rechtbank alles samen bezien deze beroepen ontvankelijk verklaart. Er is naar het oordeel van de rechtbank op grond van deze bijzondere omstandigheden sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. [1]
12. Aangezien verweerder in deze zaken ambtshalve in beroep alle schulden die overgenomen konden worden heeft overgenomen, staat wat betreft deze zaken enkel nog de kwestie van proceskosten in bezwaar open. Aangezien er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, verweerder hier te makkelijk aan voorbij is gegaan en alsnog in de bestreden besluiten de schulden in deze zaken heeft overgenomen is de rechtbank van oordeel dat deze beroepen gegrond zijn. De rechtbank zal in het kader van finale geschilbeslechting verweerder veroordelen in de proceskosten in bezwaar en beroep voor deze beroepen.
Sc
huld bij [bedrijf 3] ( [bedrijf 8] )
13. De rechtbank beoordeelt vervolgens of verweerder met het bestreden besluit III van 27 november 2024 ( [nummer 1] ) terecht heeft geweigerd de schuld van eiseres niet over te nemen aangezien dit een schuld is die is ontstaan uit een onrechtmatige daad, aldus verweerder. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
14. De rechtbank is van oordeel dat dit beroep gegrond is. Zij zal dit hieronder verder toelichten.
15. Eiseres heeft op haar schuldenlijst een schuld van [bedrijf 3] ( [nummer 4] [bedrijf 8] ) gezet. Deze schuld bedraagt in totaal € 3.266,57,-. De minister heeft met verwijzing naar cijfercode 22 (maatwerk) aangegeven enkel de huurachterstanden te betalen. De overige kosten, oftewel de mutatiekosten, komen volgens verweerder niet voor vergoeding in aanmerking, nu deze het gevolg van verwijtbaar handelen zijn en als een onrechtmatige daad worden aangemerkt.
16. Uit artikel 4.1, vierde lid, sub c, Wht volgt dat geldschulden en kosten niet worden overgenomen als een geldschuld voortvloeit uit een onrechtmatige daad. Dit ziet op een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). [2]
17. Eiseres heeft aangevoerd dat er eerder sprake zou zijn van een wanprestatie dan van een onrechtmatige daad. Om te beoordelen of er hier sprake zou zijn van een onrechtmatige daad, is de aard van de mutatiekosten van belang aldus eiseres. Zij verwijst hiervoor naar het mutatieonderhoudsrekenblad, waaruit volgt dat de kosten circa 100 verschillende posten bevatten en dat het een groot aantal kleine, reguliere onderhoudsposten betreft die binnen de normale contractuele risico’s van een huurovereenkomst zouden vallen.
17.1.
Verweerder komt op zijn beurt tot twee keer toe, zowel in zijn verweerschrift als in zijn latere schrijven van 1 september 2025, tot de conclusie dat er sprake is van een onrechtmatige daad. Er is aldus verweerder sprake van een schuld die voortvloeit uit verwijtbaar gedrag van de aanvrager, waarbij schade is ontstaan aan het gehuurde object die bij zorgvuldig handelen voorkomen had kunnen worden. Ter onderbouwing verwijst hij naar de zorgplicht van artikel 7:213 van Pro het BW (goed huurderschap). De kosten die bijvoorbeeld zien op het vervangen van deuren, glaswerk, het schoonmaken van de woning door sterke verontreiniging en het verwijderen en afvoeren van huisvuil en huisraad tonen volgens verweerder niet slechts op het niet-naleven van een huurcontract, maar zijn daarnaast ook schadeposten die zijn ontstaan als gevolg van een onrechtmatige daad. Die kosten worden op grond van de Wht niet overgenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst hij naar paragraaf 4.1 van de memorie van toelichting van de Wht. Hieruit volgt dat: “Schulden die voortvloeien uit ernstig misbruik, nalatigheid of strafbare feiten niet voor kwijtschelding of overname in aanmerking komen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer het ontstaan van een schuld aantoonbaar verwijtbaar is aan de ouder of diens toeslagpartner. Gezien de aard van (het ontstaan van) deze schulden acht het kabinet het niet wenselijk om ook deze schulden kwijt te schelden of over te nemen.".
18. De rechtbank komt echter tot de conclusie dat er in onderhavig geval geen sprake is van een onrechtmatige daad. Zij motiveert dit als volgt.
18.1.
De [bedrijf 1] heeft naar aanleiding van de schuldenlijsten van eiseres navraag gedaan bij verschillende schuldeiseres. Zo ook bij [bedrijf 3] . In een e-mail van 7 februari 2024 van een accountmanager-incassomedewerker van [bedrijf 3] staat expliciet weergeven: “het gaat
nietom een schuld door middel van een onrechtmatige daad. Het gaat om achterstallige betalingen bij onze client.” Volgens de schuldeiser is er dus geen sprake van een onrechtmatige daad.
18.2.
Dit wordt ondersteund door de wetssystematiek. Er zijn in beginsel twee gronden voor schadeplichtigheid: 1) een onrechtmatige daad, waarbij er tussen partijen
geenovereenkomst is en 2) een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verplichting uit een overeenkomst. Niet in geding is dat er hier sprake is geweest van een huurovereenkomst. Uit artikel 7:218, eerste lid, van het BW volgt dat een huurder aansprakelijk is voor schade aan de verhuurde zaak die is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst. Omdat de schade is ontstaan tijdens de huurrelatie en voortvloeit uit een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst, is de grondslag voor de aansprakelijkheid contractueel van aard. Er is dus geen sprake van een onrechtmatige daad, maar van aansprakelijkheid wegens een toerekenbare tekortkoming in de zin van artikel 7:218 van Pro het BW.
18.3.
Aangezien zowel [bedrijf 9] (de voormalige verhuurder) als [bedrijf 8] , als [bedrijf 3] zelf geen onrechtmatige daad aan de vordering ten grondslag hebben gelegd, is het voor verweerder ook niet mogelijk om hier zelf een onrechtmatige daad te construeren.
19. Nu er geen andere weigeringsgronden aan de weigering tot overname van deze schuld ten grondslag zijn gelegd, is de rechtbank van oordeel dat deze schuld in aanmerking voor overname komt. Verweerder moet deze gehele schuld overnemen.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep tegen bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank dit beroep niet inhoudelijk behandeld. De overige beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De bestreden besluiten II, III en IV worden vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zal de rechtbank zelf in de zaken voorzien en komt deze uitspraak in de plaats van de bestreden besluiten II, III en IV. Ten aanzien van bestreden besluiten II en IV bepaalt de rechtbank dat de bezwaren ontvankelijk zijn en dat verweerder de proceskosten in bezwaar moet vergoeden. Voor wat betreft bestreden besluit III bepaald de rechtbank dat verweerder de schuld van eiseres bij [bedrijf 3] in zijn geheel moet overnemen.
20.1.
Omdat de beroepen tegen bestreden besluit II, III en IV gegrond zijn, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. De rechtbank heeft in alle zaken (drie keer) griffierecht geheven. Verweerder dient daarom € 159,- aan griffierecht te vergoeden aan eiseres.
20.2.
De rechtbank ziet aanleiding om de zaken AMS 25/159 en AMS 25/160 aan te merken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank overweegt daartoe dat eiseres in deze zaken rechtsbijstand heeft gekregen van dezelfde gemachtigde. De werkzaamheden van deze gemachtigde zijn in deze zaken (nagenoeg) identiek. Hij heeft namelijk in deze zaken een gelijkluidend beroepschrift ingediend met nagenoeg dezelfde beroepsgronden. De zaken dienen daarom voor de toekenning van de proceskostenvergoeding te worden beschouwd als één zaak. Aangezien er 2 samenhangende zaken zijn, wordt een factor 1 toegepast.
20.3.
Verweerder wordt ook veroordeeld in de kosten die eiseres in verband met het de behandeling van de beroepen redelijkerwijs moet hebben gemaakt. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in totaal € 5.115,50.
€ 3.174,50 voor de proceskosten in beroep (1 punt voor het indienen van de beroepschriften (twee keer), 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de repliek, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1) en € 1.941,- voor de proceskosten in bezwaar (1 punt voor het indienen van bewaarschrift (twee keer) en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen de bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
  • verklaart de beroepen tegen het bestreden besluit II, III en IV gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten I, II, III en IV;
  • herroept de primaire besluiten van 24 april 2024, 1 mei 2024 en 18 juni 2024;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 5.115,50.,-
- bepaalt dat verweerder het griffierecht aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. van der Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie: de uitspraak van 30 januari 2024 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven ECLI:NL:CBB:2024:331.