ECLI:NL:RBAMS:2025:9656

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
13/219592-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling poging zware mishandeling met gevangenisstraf en taakstraf

Op 14 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 20 juli 2025 in Amsterdam, waarbij de verdachte met een voorwerp dat lijkt op een koevoet of breekijzer op het hoofd en lichaam van de benadeelde partij heeft geslagen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte inderdaad met een dergelijk voorwerp heeft geslagen, maar heeft geoordeeld dat er onvoldoende bewijs is voor opzet op de dood van de benadeelde partij, waardoor de verdachte is vrijgesproken van poging tot doodslag. Echter, de rechtbank achtte de poging tot zware mishandeling wel bewezen, gezien de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel door de gedragingen van de verdachte. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 105 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 80 uren. Daarnaast zijn er bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod met de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd, waarvan een deel is toegewezen door de rechtbank.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/219592-25
Datum uitspraak: 14 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende op het adres [woonadres]

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L. Palanciyan, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij] , en van wat zijn advocaat, mr. C.F. Herrera Villagómez, hierover op de zitting naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 20 juli 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
poging tot doodslag op [benadeelde partij] , subsidiair ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij] , meer subsidiair ten laste gelegd als mishandeling van [benadeelde partij] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, omdat verdachte met een voorwerp dat lijkt op een koevoet/breekijzer op het hoofd heeft geslagen van [benadeelde partij] . Hiermee heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde partij] daarbij het leven zou verliezen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de gehele tenlastelegging. Volgens hem blijkt uit het dossier niet dat het letsel van [benadeelde partij] is veroorzaakt doordat verdachte met een koevoet heeft geslagen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Op de eerste plaats is de vraag aan de orde of verdachte met een breekijzer, koevoet of vergelijkbaar voorwerp op het hoofd en tegen het lichaam van [benadeelde partij] heeft geslagen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte dat heeft gedaan. [benadeelde partij] en getuige [getuige] hebben beiden verklaard dat verdachte met een dergelijk voorwerp op het hoofd en tegen het lichaam van [benadeelde partij] heeft geslagen. Deze verklaringen vinden steun in de videobeelden. Daarop is te zien dat verdachte in zijn rechterhand een voorwerp heeft dat lijkt op een koevoet of breekijzer, terwijl hij tegenover [benadeelde partij] staat en met zijn linkerhand diens keel vasthoudt. Daarbij volgt uit de letselverklaring dat een snee van geschat zes centimeter op het hoofd van [benadeelde partij] is geconstateerd en bevat het dossier foto’s waarop meerdere rode plekken te zien zijn op zijn lichaam. Het type letsel aan het hoofd en aan het lichaam van [benadeelde partij] past bij het meermalen slaan met een dergelijk voorwerp. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat het letsel is ontstaan doordat [benadeelde partij] zijn hoofd tegen een kapstok heeft gestoten. Het dossier biedt hiervoor echter geen aanknopingspunten. De rechtbank acht deze verklaring daarom ongeloofwaardig.
Vrijspraak poging tot doodslag
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [benadeelde partij] . Voor een bewezenverklaring is van belang of verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde partij] . De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank kan op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde op de zitting niet vaststellen dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde partij] , ook niet in voorwaardelijke zin. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het voorwerp waarmee verdachte heeft geslagen lijkt op een koevoet of breekijzer, maar er kan niet worden vastgesteld wat het precies voor voorwerp is en dus ook niet hoe zwaar het is.. Evenmin volgt uit het dossier hoe vaak met het voorwerp is geslagen of met welke kracht dit is gebeurd. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van [benadeelde partij] . Om deze reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de tenlastegelegde poging tot doodslag.
Poging zware mishandeling
De rechtbank is wel van oordeel dat door te slaan met een dergelijk voorwerp tegen het hoofd, een kwetsbaar lichaamsdeel, en het lichaam, de aanmerkelijke kans bestond dat [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. De gedraging is naar de uiterlijke verschijningsvorm zo gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hieraan doet niet af dat, zoals de raadsman heeft betoogd, [benadeelde partij] in staat was zelf naar het ziekenhuis te rijden. Dat maakt immers nog niet dat er geen
poging– en dat is waar we het hier over hebben – kan hebben plaatsgevonden.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 20 juli 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
die [benadeelde partij] meermalen met een breekijzer/koevoet, althans een soortgelijk voorwerp,
tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf van 409 dagen op te leggen met aftrek van voorarrest, waarvan 365 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Aan deze proeftijd dienen bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 240 uren wordt opgelegd.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om een straf op te leggen gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door [benadeelde partij] met een voorwerp op het hoofd en tegen het lichaam te slaan. Verdachte is via de tuin, door een openstaande deur, de woning van zijn ex-partner binnengegaan, waar hij bewust de confrontatie met [benadeelde partij] heeft opgezocht, terwijl de minderjarige zoon en verdachte zijn ex-partner in de woning aanwezig waren. De rechtbank rekent verdachte dit aan. Door het slaan met een voorwerp heeft [benadeelde partij] letsel opgelopen, met een blijvend litteken tot gevolg. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het incident grote impact op hem heeft gehad en dit is ook overigens voorstelbaar.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 25 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van 17 oktober 2025. Hieruit volgt – kort gezegd – dat dat verdachte onvoldoende in staat is om zijn emoties te reguleren en problemen adequaat op te lossen. Dit zijn risicofactoren voor de kans op recidive. De slechte verstandhouding en de daaruit voortvloeiende dynamiek tussen verdachte en zijn ex-vrouw is ook een risicofactor. Aan de andere kant is een beschermde factor dat verdachte bereid is om mee te werken aan behandeling en begeleiding, teneinde zijn zoon weer frequent te kunnen zien. Daarnaast benoemt de reclassering het als positief dat verdachte beschikt over huisvesting, een opleiding volgt, uitzicht heeft op een baanen dat hij ondersteunende sociale contacten heeft.
Strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor het bewezenverklaarde feit gekeken naar deze oriëntatiepunten. Voor opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. Bij een poging geldt als uitgangspunt dat de straf twee derde bedraagt van de straf die zou zijn opgelegd als het delict was voltooid. De rechtbank acht daarom in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.
Verdachte heeft int totaal 45 dagen in voorarrest gezeten. De rechtbank vindt het in dit specifieke geval niet noodzakelijk en evenmin wenselijk dat verdachte terug gaat naar de gevangenis, mede gelet op de stappen die hij heeft gezet in de richting van opleiding en werk. Wel vindt de rechtbank dat verdachte in plaats daarvan een taakstraf moet uitvoeren.
Ook vindt de rechtbank het belangrijk verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen, door het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met daarbij bijzondere voorwaarden.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van 105 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 80 uren passend. De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist, mede omdat zij de poging tot doodslag niet bewezen acht. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en de verplichting zijn medewerking te verlenen aan instanties die zich richten op de omgang met zijn zoon als bijzondere voorwaarden verbinden. Ook zal de rechtbank een locatieverbod en een contactverbod met [benadeelde partij] opleggen. De rechtbank ziet bij die laatste voorwaarden geen noodzaak voor elektronische monitoring.

8.Benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.
Benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 280,60 aan materiële schade, € 3.500,- aan immateriële schade en € 5.000,- aan nader te onderbouwen schade, met vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Op de zitting heeft mr. C.F. Herrera Villagómez de vordering nader toegelicht.
Standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is met betrekking tot de vordering van vergoeding van toekomstige schade. De overige gevorderde schadevergoeding is voor toewijzing vatbaar.
De raadsman heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De rechtbank wijst de materiële schadevordering toe tot een bedrag van € 280,60.
Dit bedrag bestaat uit € 9,24 reiskosten en € 271,36 medische kosten.
Verder staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 1.000,-. De rechtbank wijst de immateriële schadevordering daarom toe tot een bedrag van € 1.000,-.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering tot immateriële schadevergoeding
De benadeelde partij zal ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot nader te onderbouwen schade. Deze schade is op dit moment nog niet bekend en daardoor is niet komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit.
De benadeelde partij kan de delen van de vordering die niet-ontvankelijk worden verklaard bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
SchadevergoedingsmaatregelIn het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vier is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
poging zware mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 80 (tachtig) uren,met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
40 (veertig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 105 (honderdvijf) dagenmet bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt dat een gedeelte, groot
60 (zestig) dagen, van
deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later iets anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als
bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich op afspraak bij Reclassering Nederland op het adres [adres 1] in [stad] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling
Veroordeelde dient mee te werken aan een intake, diagnostiek en, indien dit hieruit voortvloeit, een behandeling bij SIPI (Stichting Interculturele Participatie en Integratie), de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Contactverbod
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de heer [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Locatieverbod
Veroordeelde bevindt zich gedurende het toezicht niet in de straat waar zijn ex-vrouw woont en waar [benadeelde partij] zich regelmatig bevindt. Het adres is: [adres 2] .
Overige voorwaarden
Veroordeelde dient zijn medewerking te verlenen aan instanties die zich richten op de omgang met de zoon van veroordeelde en met zijn ex-vrouw, onder andere Jeugdbescherming Regio Amsterdam.
Benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van
€ 280,60 (tweehonderdtachtig euro en zestig cent)aan vergoeding van
materiële schadeen een bedrag van
€ 1.000,- (duizend euro)aan vergoeding van
immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
SchadevergoedingsmaatregelLegt verdachte de
verplichtingop om ten behoeve van [benadeelde partij]
aan de Staat € 1.280,60 (duizendtweehonderdtachtig euro en zestig cent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
22 (tweeëntwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover veroordeelde aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Thomas, voorzitter,
mrs. J.M.R. Vastenburg en D.G. Bertsch, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 november 2025.
[…]
[…]