ECLI:NL:RBAMS:2025:9352

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
C/13/767883 / HA ZA 25-958
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige opzegging van bankrelatie door Rabobank en de gevolgen voor de klant

In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam op 26 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser, hierna aangeduid als [eiser], en de coöperatie Rabobank U.A. [eiser] had een bankrelatie met Rabobank, inclusief bankrekeningen en een hypotheek. Rabobank heeft deze bankrelatie opgezegd, wat heeft geleid tot een rechtszaak waarin [eiser] vorderde dat de bankrelatie voortgezet zou worden. De rechtbank heeft vastgesteld dat Rabobank geen wettelijke opzegplicht had op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en dat de opzegging van de bankrelatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. De rechtbank oordeelde dat [eiser] voldoende medewerking had verleend aan het klantonderzoek van Rabobank en dat de herkomst van zijn middelen grotendeels was verklaard. De rechtbank heeft Rabobank bevolen de bankrelatie met [eiser] voort te zetten en zijn gegevens uit het Intern Verwijzingsregister te verwijderen. Tevens is Rabobank veroordeeld in de proceskosten van [eiser].

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/767883 / HA ZA 25-958
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.R. de Kok,
tegen
de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. B.W. Wijnstekers.
De zaak in het kort
[eiser] heeft bankrekeningen en een hypotheek bij Rabobank. Rabobank heeft de bankrelatie met [eiser] opgezegd. In deze zaak vordert [eiser] dat Rabobank de bankrelatie met hem voortzet en zijn gegevens uit het Intern Verwijzingsregister verwijdert. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] toe, omdat (i) van een opzegplicht op grond van de Wwft geen sprake is en (ii) het gebruik van de contractuele opzeggingsbevoegdheid door Rabobank in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 april 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 16 juli 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025, die zich in het dossier bevinden.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is getrouwd met [naam] (hierna: [naam] ). Zij hebben samen drie minderjarige kinderen en wonen in een woning in [woonplaats] (hierna: de woning).
2.2.
[eiser] bankiert sinds 2017 bij Rabobank. Hij heeft daar een betaalrekening en een spaarrekening. Daarnaast heeft hij op 8 mei 2017 een hypothecaire lening (hierna: de hypotheek) afgesloten voor de aankoop van de woning. De hypotheeklasten bedragen ongeveer € 597 per maand.
2.3.
Op de klantrelatie tussen Rabobank en [eiser] zijn de Algemene Bankvoorwaarden 2017 (hierna: ABV) van toepassing. Artikel 35 van de ABV bepaalt – kort gezegd – dat Rabobank de klantrelatie mag opzeggen en dat zij zich daarbij aan haar zorgplicht zal houden.
2.4.
Op de hypotheek zijn de Algemene Basisvoorwaarden voor particuliere leningen van de Rabobank 2017 van toepassing (hierna: de algemene basisvoorwaarden leningen). In artikel 4 sub c onder 18 staat dat Rabobank een lening direct kan opeisen indien de hypotheekgever informatie aan haar heeft verstrekt die niet waar is, of iets niet aan haar heeft medegedeeld dat wel van belang kan zijn.
2.5.
Ten behoeve van de hypotheekaanvraag heeft [eiser] een werkgeversverklaring overgelegd van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), gedateerd op 25 april 2017. In deze werkgeversverklaring staat dat [eiser] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft en een bruto jaarsalaris ontvangt van € 37.440 exclusief vakantietoeslag. [naam] is enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 1] .
2.6.
In de periode tussen mei 2017 tot en met april 2024 heeft [eiser] een bedrag van in totaal € 13.205 aan contant geld gestort op zijn betaalrekening bij Rabobank.
2.7.
Op 22 mei 2024 heeft Rabobank een brief gestuurd aan [eiser] en hem daarin onder meer vragen gesteld over (i) zijn betrokkenheid bij Stichting Siha, (ii) transacties van [eiser] met [naam] en (iii) de herkomst van contante gelden.
2.8.
In een e-mail van 13 juni 2024 heeft [eiser] de vragen van Rabobank beantwoord. In die e-mail staat onder meer het volgende:
“(…)
• Since 2017/2024, 13,205 euros have been deposited into your bank?
---This amount of money is not much in 7 years. When you look at the bank money flow, in general,
1. Mortgage payment
2. Eneco electricity and gas
3. House expenses
4. Phone bills
5. Debts
Payments have been made.
• Can you send us the documents and receipts?
---Of course I can.
• Why do you pay hyptoheeki in cash, what is the reason?
--- I don’t have a permanent job. I pay when I earn money. I’ve been living off the money I found abroad for a few years.”
2.9.
Op 3 juli 2024 heeft een telefoongesprek tussen [eiser] en een medewerker van Rabobank plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit telefoongesprek heeft Rabobank in een e-mail van diezelfde dag (aanvullende) vragen gesteld over zijn betrokkenheid bij Stichting Siha, de bankrekeningen van [eiser] bij andere banken en de herkomst van contante bedragen. In reactie hierop heeft [eiser] bij e-mail van 4 juli 2024 antwoord gegeven op deze vragen. In die e-mail staat onder meer het volgende:
“(…)
i do my best to answer your questions. (…) i just put the answers just after your questions. I also attached the relevant documents here. Please guide me if you need more informations
(…)
Bank accounts at multiple banks
4.Can you tell us what the reason is why you have a bank account at ING?
When I first arrived to The Netherlands from UK,I just go there and open the account.
5.To substantiate your explanation, we would like to receive account statements for the period 01-01-2023 to 01-06-2023 in which all credits and debits are stated.
Attached to the email.
6.To substantiate your explanation, we would like to receive account statements for the period 01-01-2019 to 01-06-2019 in which all credits and debits are stated.
Attached to the email.
(…)
Cash money
8. You stated by phone that part of the cash came from your family (mother) sometimes she helps you to pay the bills. You fly to Turkey and bring the money back with you.
YES My mother and father supports me but not all the time. When I go to them to check their health and help with their appointments they sometimes help me with flight tickets and lastly the money I deposit to the bank.
(…)
8.2.
In Turkey, they have a different currency than Euro, can you explain how your mother is able to pay you in euros?
She gave me in turkish lira and I exchanged it to the euros.
8.3
Where does the cash come from that you receive from your family (mother)?
My mother had gold jewellery.When I am stuck father and mother always support me.My father has salary and mother has inheritence from her family.They are ok financially.
9.You stated by phone that part of the cash came from your wife.
YES.As you see on the statements we support each other.I had a company and I was supporting her and now she support me.But she only transfers by bank and give me small cash for cigarette and drinks sometimes if I need like 5-10 euros. The only cash money 1 brought was from my mum and dad.
(…)
9.2.
What is the reason that your wife gives you cash to pay the mortgage?
We have a good family ties.We have responsibilities to each other.We support each other.Mortgage is on my name.So she gives me to pay it.But only through bank transfer not cash.Last time when we talked to Rabobank your collegue said that we need to put some extra money for our mortgage payments also we normally pay it out the end of the month.But she asked to pay the beginning of the month.I think it all started with that.
9.3.
What is the reason why she didn’t transfer the money from her bank account at ING?
Well she does transfer from her bank.I think there is a misunderstanding.
9.4.
Where does the cash come from that you receive from your wife?
1 don’t always receive cash money from my wife.She has a salary.
10.You stated by phone that part of the cash came from things you sell on the marketplace.
Yes in the King’s Day,market place I sold items.
10.1.
Did Rabobank understand that correctly?
YES
10.2.
What kind of things do you sell on the marketplace?
I did sell some of my old furnitures,sport products left from my previous business,old tyres,toys,plates,clothes etc.
10.3.
To substantiate your explanation, we would like to receive your account on the
marketplace.
OK.How do you want it?
You also explained that for 1.5 years you have been between jobs.
11 .When did you stop working for [bedrijf 1] B.V.?
I think it was 01.09.2022
12 Do you have a job at this moment?
NO.But looking for it
2.10.
Op 9 juli 2024 heeft Rabobank aanvullende vragen gesteld aan [eiser] over zijn betrokkenheid bij Stichting Siha, de periode dat [eiser] geen werk had en de herkomst van contante gelden. Daarop heeft [eiser] op 18 juli 2024 onder meer het volgende geantwoord:
“I just put all the answers under your questions and all the documents are attached to this email. Please let me know if you need more information.
(…)
In Between Jobs
We asked you when you stopped at [bedrijf 1] BV., and your answer was, “I think it was 01.09.2022.” We have received your bank statements from ING for the year 2019. However, we have noticed no salary credits from [bedrijf 1] B.V. Did you receive a salary from [bedrijf 1] BV.? If so, on which bank account?
It was my company called [bedrijf 2] .And I had an ING Bank account. I closed this company and account.All payments bas done by [bedrijf 1] BV to [bedrijf 2] .
You an get more info from them.I can give the contact details
Cash Money
Correct us if we are wrong. If Rabobank understands it correctly, the cash in your account at Rabobank only comes from your father and mother. You receive the money in lira and then exchange it into euros. We would like to receive the receipt that you have exchanged the lira to euros for the cash deposit you made on April 24, 2024.
Attached to the email
2.11.
[eiser] heeft bij bovenstaande e-mail onder meer een foto van een afschrift gedateerd op 7 februari 2024 bijgevoegd waaruit blijkt dat euro’s zijn omgewisseld naar Turkse lira.
2.12.
Bij dezelfde e-mail heeft [eiser] verder een verzekeringsbericht van het UWV bijgevoegd, waarin onder meer staat dat hij voor het laatst in 2017 voor [bedrijf 1] heeft gewerkt en in de jaren 2017-2023 voor (onder meer) Neno Personeelsdiensten B.V. en een (aanvullende) Ziektewet uitkering heeft ontvangen. Ook zijn – in reactie op de vraag van Rabobank om afschriften te overleggen van de ING rekening waarmee de hypotheeklasten worden voldaan en waaruit volgt dat hij salaris ontvangt – bij de e-mail drie bijlagen gevoegd met als titel [rekeningnummer] -Transactions.pdf, [rekeningnummer] -Transactions (1).pdf en [rekeningnummer] -Transactions (2).pdf.
2.13.
Rabobank heeft bij brief van 18 september 2024 laten weten dat zij het door haar verrichte klantonderzoek niet heeft kunnen afronden en dat zij de klantrelatie met [eiser] zal heroverwegen. In deze brief staat onder meer:
“Despite your explanations and the information provided, it remains unclear to Rabobank why you were involved with Stichting Siha, the origin of the cash deposits in your account and it is considered very remarkable by Rabobank that you are no longer employed by your partner’s company, on which your mortgage application was based.”
2.14.
Op 29 september 2024 heeft [eiser] hierop per e-mail gereageerd, waarin hij onder meer het volgende heeft geschreven:
“I started working with [bedrijf 1] B.V then to earn more I started my own ZZP company. If you want, I can forward all the accounts.
For cash money yes I exchanged the Turkish lira to euros in Istanbul then the end of march I arrived the Netherlands 18.04.2024 I can send you my passport entry stamp. So I kept the money with you and brought with myself.
So I understand your worries as a respectable bank. (…) I have a huge responsibility for my mother and father and also my wife and kids. If I can’t really explain myself to you then you can give me an appointment to talk face to face and I bring my original documents and try to find a solution. I am greatly sure that I answered truly and openly all the questions. (…)
Please do not hesitate to contact me if you need further information.”
2.15.
Op 24 oktober 2024 heeft Rabobank [eiser] weer aanvullende vragen gesteld over de informatie die [eiser] heeft gegeven bij zijn hypotheekaanvraag in 2017, de betalingen die aan het eenmansbedrijf van [eiser] ( [bedrijf 2] ) zijn gedaan door [bedrijf 1] , de herkomst van contante stortingen, het gebruik van zijn rekeningen bij andere banken en de herkomst van het vermogen van [naam] . Daarbij heeft Rabobank geschreven dat als zij het klantonderzoek ondanks zijn antwoorden en uitleg niet kan afronden, zij de klantrelatie zal beëindigen.
2.16.
Op 13 november 2024 heeft [eiser] via zijn advocaat per e-mail gereageerd op de aanvullende vragen van Rabobank. In de bijlagen bij die e-mail heeft [eiser] onder meer de volgende stukken gevoegd:
  • aangiften inkomstenbelasting van [eiser] tussen 2016 en 2020;
  • een overzicht van de vliegbewegingen van [eiser] tussen 18 april 2017 en 24 oktober 2024;
  • een uitkeringsspecificatie van [gemeente] ;
  • inkomensgegevens van [naam] .
2.17.
Op 14 november 2024 heeft [eiser] via zijn advocaat per e-mail nog aanvullende documenten gestuurd aan Rabobank, waaronder een op 8 november 2024 gedateerde verklaring van de ouders van [eiser] . Daarin staat onder meer:
“I and my wife often need help from our son. So he travels to help us from the Netherlands. We try our best to cover his travel costs and give some extra money to help him. Last time we gave him some gold equivalent to 105.000 Turkish Lira to cover his costs and support him. My wife exchanged her gold to Turkish Liras. (…) We as a family always support our son in good or bad days. (…) Please contact me if you need more information.”
2.18.
Bij brief van 12 december 2024 heeft Rabobank [eiser] geïnformeerd dat zij zijn dossier intern overdraagt naar de afdeling offboarding en die afdeling zal verzoeken de klantrelatie te beëindigen.
2.19.
Bij brief van 27 januari 2025 heeft Rabobank laten weten de klantrelatie met [eiser] per 27 mei 2025 te zullen beëindigen en [eiser] voor een periode van acht jaar in het Intern Verwijzingsregister (hierna: IVR) te registreren. In die brief staat voor zover relevant het volgende:
“(…)
Waarom stoppen we de relatie met u?
Rabobank is in juli 2024 een cliëntenonderzoek naar u gestart. Dit onderzoek spitste zich onder meer toe op (i) de aanvraag van uw hypothecaire lening in 2017 en de toen verschafte informatie en (ii) de herkomst van uw vermogen waarmee de hoofdsom van deze hypothecaire lening wordt afgelost en de rente wordt betaald. De verkregen antwoorden hierop bieden Rabobank geen comfort. Rabobank heeft, ondanks de meerdere informatierondes, haar cliëntenonderzoek naar u niet kunnen afronden zoals beschreven staat in artikel 3 lid 2 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Hierom is Rabobank verplicht om de bancaire relatie met u te beëindigen. Daarnaast is Rabobank bevoegd om de bancaire relatie met u te beëindigen op grond van artikel 35 Algemene Bankvoorwaarden 2017 (“ABV”).
Cliëntonderzoek kon niet worden afgerond
De bank constateert dat u gedurende het cliëntonderzoek (i) vragen (gedeeltelijk) onbeantwoord laat, (ii) de gegeven antwoorden niet afdoende zijn voor Rabobank om aan de verplichtingen in het kader van het klantonderzoek te voldoen, (iii) de aangeleverde documentatie uw verklaringen tegenspreken en (iv) u uw verklaring heeft gewijzigd.
(…)
Opzegging
Gelet op het bovenstaande zien wij ons genoodzaakt gebruik te maken van onze opzeggingsbevoegdheid zoals omschreven in artikel 35 ABV. Dat betekent dat alle overeenkomsten tussen u en de bank worden opgezegd per 27 mei 2025.
(…)
Uw hypotheek
Los vóór 27 mei 2025 de onderstaande hypotheeklening volledig af:
- Annuïteit hypotheek: (…) huidige hoofdsom € 133.389,62”
2.20.
De advocaat van [eiser] heeft op 11 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen de opzegging van de bankrelatie. Bij brief van 21 februari 2025 heeft Rabobank dit bezwaar afgewezen.
2.21.
Daarna is [eiser] een kort gedingprocedure bij deze rechtbank gestart tegen Rabobank. Op 5 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter beslist dat Rabobank de klantrelatie met [eiser] moet voortzetten totdat de rechtbank in deze bodemprocedure heeft beslist en dat Rabobank tot die tijd zijn gegevens niet in het IVR mag opnemen. [1]

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
voor recht verklaart dat de opzegging van de bankrelatie onrechtmatig was omdat die opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was;
Rabobank verbiedt de bankrelatie met [eiser] te beëindigen;
Rabobank beveelt de bankrelatie met [eiser] te herstellen en voort te zetten door het ongewijzigd aanbieden van de diensten die vóór de opzegging van de bankrelatie door Rabobank aan [eiser] werden verleend;
Rabobank beveelt de registratie van de persoonsgegevens van [eiser] in het IVR, dan wel in enig ander register, ongedaan te maken op een dergelijke wijze dat [eiser] geen nadelige gevolgen ondervindt van die registratie bij het verkrijgen of continueren van financiële diensten en/of financiële producten;
Rabobank veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Rabobank voert verweer. Rabobank concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Rabobank heeft de bankrelatie met [eiser] opgezegd op basis van twee gronden: de opzegplicht van artikel 5 lid 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de opzegbevoegdheid van artikel 35 ABV. Beide grondslagen worden hierna achtereenvolgens beoordeeld.
Juridisch kader opzegplicht Wwft
4.2.
Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Banken moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of: misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen op grond van artikel 5 lid 3 Wwft. De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten.
4.3.
Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het cliëntenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. De klant is verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de wijze waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt (artikelen 2 lid 2, 3 en 7 van de ABV).
4.4.
De geldigheid van de opzegging moet worden beoordeeld naar de stand van zaken ten tijde van de opzegging. [2] Het gaat dus om een zogenoemde ‘ex tunc’-toetsing. Het is aan Rabobank om te onderbouwen dat zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht was de klantrelatie met [eiser] te beëindigen.
Geen opzegplicht op grond van artikel 5 lid 3 Wwft
4.5.
Volgens Rabobank kon zij haar klantonderzoek naar [eiser] niet kon afronden en moest zij daarom op grond van artikel 5 lid 3 Wwft de klantrelatie te beëindigen. Volgens Rabobank heeft [eiser] vragen (gedeeltelijk) onbeantwoord gelaten, spraken de door hem aangeleverde documenten zijn verklaringen tegen en heeft [eiser] zijn verklaringen gewijzigd. De door [eiser] gegeven antwoorden waren niet voldoende voor Rabobank om aan haar verplichtingen in het kader van het klantonderzoek te voldoen. Dat geldt in het bijzonder voor de verplichting tot voortdurende controle op de zakelijke relatie, de uitgevoerde transacties, met zo nodig een onderzoek naar de bron van de middelen (artikel 3 lid 2 sub d Wwft). Rabobank kon de herkomst van de middelen waarmee [eiser] zijn rente- en aflossingsverplichtingen voldeed onvoldoende vaststellen. Daarom kon het klantonderzoek niet worden afgerond en is sprake van een onaanvaardbaar witwasrisico, zodat Rabobank verplicht was de klantrelatie op te zeggen, aldus steeds Rabobank.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat Rabobank geen wettelijke opzegplicht had, omdat zij door [eiser] niet is belemmerd in de uitvoering van haar klantonderzoek. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
4.7.
In tegenstelling tot wat Rabobank aanvoert, heeft [eiser] voldoende medewerking verleend aan het klantonderzoek. Uit de in de feiten (onder 2.8 tot en met 2.17) geschetste gang van zaken blijkt dat [eiser] steeds op elke vraag van Rabobank antwoord heeft gegeven en geen vragen (bewust) heeft ontweken. Daarnaast reageerde [eiser] telkens binnen bekwame tijd op de (verdere) vragen van Rabobank en stelde hij zich coöperatief op, onder meer door telkens meer informatie en uitleg aan te bieden. Dat [eiser] het klantonderzoek heeft tegengewerkt, is niet gebleken.
4.8.
Aan Rabobank kan worden toegegeven dat [eiser] niet al zijn antwoorden met de gevraagde stukken heeft kunnen onderbouwen, en dat sommige antwoorden en bewijsstukken logischerwijs (vervolg)vragen hebben opgeroepen bij Rabobank. Dat betekent echter niet dat er geen enkele waarde aan de antwoorden van [eiser] kan worden gehecht. [eiser] heeft voldoende openheid van zaken gegeven over de herkomst van zijn middelen, zodat Rabobank aan haar verplichtingen van artikel 3 lid 2 sub d Wwft kon voldoen. Dat geldt zowel voor de gestorte contante gelden als de betalingen van ING-rekeningen, die hierna afzonderlijk aan bod komen.
-
i) herkomst contante gelden
4.9.
Ten aanzien van de herkomst van de contante stortingen heeft [eiser] vanaf het begin af aan consistent geantwoord dat hij contant geld en goud van zijn ouders kreeg. Dat heeft hij ook onderbouwd met de onder 2.17 geciteerde verklaring van zijn ouders, waaruit blijkt [eiser] op en neer reist om voor hen te zorgen, dat zij zijn reiskosten vergoeden en hem extra geld geven om hem te helpen. Ook de overgelegde vliegbewegingen van [eiser] tussen 2017 en 2024 ondersteunen zijn verklaring. Dat [eiser] niet precies kan reconstrueren hoeveel en hoe vaak hij geld van zijn ouders heeft gekregen, zoals Rabobank graag had willen weten, is begrijpelijk. Hierbij is van belang dat het gaat om meerdere giften van betrekkelijk kleine omvang over een lange periode. Het kan van [eiser] niet worden verwacht dat hij daarvan een sluitende administratie bijhoudt en het ontbreken daarvan kan dus ook niet als een belemmering van het klantonderzoek aan hem worden tegengeworpen.
4.10.
[eiser] heeft verder het onder 2.11 genoemde afschrift bijgevoegd om te onderbouwen dat hij Turkse lira heeft omgewisseld naar euro’s. Hoewel Rabobank er terecht op wijst dat uit dit afschrift blijkt dat euro’s zijn omgewisseld naar Turkse lira, betekent dit op zichzelf niet dat hij tussen 2017 en 2024 helemaal geen lira heeft omgewisseld naar euro’s. Dat hij dit niet heeft kunnen bewijzen met bonnetjes maakt dat – mede gelet op hetgeen (niet) van [eiser] verwacht kan worden in het kader van administratie zoals hiervoor uiteen is gezet – niet anders. Verder heeft [eiser] € 3.000 aan contante stortingen verklaard met een verklaring van het bedrijf Şener Kuyumcu, waaruit blijkt dat hij op 14 maart 2024 een gouden armband heeft ingeruild voor 105.000 Turkse lira (omgerekend € 3.000). Volgens Rabobank is deze verklaring niet aannemelijk, omdat de armband op 14 maart 2024 is omgeruild en het hiervoor genoemde afschrift dateert van 7 februari 2024. Daarmee veronderstelt Rabobank dat het afschrift ter ondersteuning dient van de verkoop van de armband, terwijl dit niet is aangevoerd door [eiser] . Nu blijkens het afschrift euro’s naar Turkse lira worden omgewisseld, is het juist aannemelijk dat deze twee bewijsstukken – kennelijk – niets met elkaar te maken hebben. Uit de door [eiser] verstrekte stukken kan dus niet de conclusie worden getrokken dat hij de gouden armband niet heeft verkocht. Tot slot heeft [eiser] een deel van de contante stortingen verklaard door te wijzen op voorraad van zijn voormalige onderneming in sportbenodigdheden die hij heeft verkocht via Marktplaats en op Koningsdag, waarvoor contant is betaald (zie onder 2.9). Hij heeft die inkomsten opgegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting van 2017 en 2018, die ook aan Rabobank zijn verstrekt. Rabobank heeft niet aangevoerd waarom niet van die herkomst van het contante geld kan worden uitgegaan.
4.11.
De tussenstand is dat [eiser] de vragen van Rabobank over de herkomst van het contante geld dat op zijn rekening bij Rabobank heeft gestort, voldoende heeft beantwoord. Dat Rabobank graag (meer) administratie of objectief bewijs van de gang van zaken omtrent de schenkingen had willen ontvangen doet daaraan niet af. Het ontbreken van die stukken rechtvaardigt in dit geval niet de conclusie van Rabobank dat [eiser] onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven. Anders dan waar Rabobank vanuit lijkt te gaan, is volledige traceerbaarheid van de herkomst van alle contante middelen niet vereist om haar klantenonderzoek te kunnen afronden.
-
ii) betalingen vanaf ING-rekeningen
4.12.
Rabobank stelt dat zij de herkomst van de middelen die vanaf [eiser] persoonlijke ING-rekening (eindigend op [nummer] ) naar zijn rekening bij Rabobank zijn overgeboekt, niet kan vaststellen omdat hij de verzochte rekeningafschriften van zijn ING-rekening niet heeft verstrekt.
4.13.
De rechtbank stelt voorop dat [eiser] stellig heeft betwist dat hij de rekeningafschriften van zijn ING-rekening niet aan Rabobank heeft verstrekt. Dat hij van deze rekening wél afschriften heeft verstrekt, lijkt daarnaast te volgen uit de benaming van de pdf-documenten die hij bij e-mail van 9 juli 2024 aan Rabobank heeft gezonden (zie 2.12). In de correspondentie vanuit Rabobank is nadien ook niet meer (expliciet) om informatie over de herkomst van gelden op de ING-rekening van [eiser] gevraagd. In dit licht heeft Rabobank onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat [eiser] op dit punt het klantonderzoek heeft belemmerd.
4.14.
Rabobank stelt ook dat [eiser] onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven over betalingen vanaf de ING-rekening van [naam] (eindigend op 477) op de rekening van [eiser] bij Rabobank. De rechtbank deelt dit oordeel niet. [eiser] heeft verklaard dat de hypotheeklasten in 2023 en 2024 werden betaald met het inkomen van [naam] , omdat hij voor zijn zieke ouders in Turkije moest zorgen en daarom gestopt was met werken. Waarom deze toelichting niet toereikend zou zijn, is door Rabobank onvoldoende toegelicht. Dat de echtgenote financieel bijspringt bij de betaling van de hypotheeklasten voor de woning waarin zij met haar gezin woont, ligt voor de hand. Daarnaast blijkt uit de door [eiser] aan Rabobank ter beschikking gestelde inkomensgegevens van [naam] dat zij inkomen had en dat dit voldoende was om hypotheeklasten te voldoen. Zij had (onder meer) een ziektewetuitkering van ongeveer € 500 per week, die – zoals zichtbaar op de aan Rabobank ter beschikking gestelde betaalspecificaties - op deze ING-rekening van [naam] betaald werd. Met het voorgaande heeft [eiser] voldoende duidelijkheid aan Rabobank gegeven over de achtergrond en de herkomst van de betalingen vanaf de ING-rekening van [naam] op de rekening van haar echtgenoot bij Rabobank.
Slotsom met betrekking tot de opzegplicht
4.15.
Uit het bovenstaande volgt dat op basis van wat Rabobank daartoe heeft gesteld niet kan worden geoordeeld dat [eiser] het klantenonderzoek heeft belemmerd. Integendeel, hij heeft zijn volledige medewerking verleend met voldoende openheid van zaken. Daarnaast heeft hij zich oplossingsgericht getoond door steeds aan te geven dat Rabobank moest laten weten als zij nog meer informatie nodig zou hebben en aangestuurd op een persoonlijke ontmoeting om nadere toelichting te geven voor zover Rabobank daar behoefte aan zou hebben. Van de situatie dat het klantenonderzoek door toedoen van [eiser] niet kon worden afgerond, is geen sprake. Voor zover de antwoorden van [eiser] Rabobank – in haar eigen woorden – ‘geen comfort’ boden, is het vervolgens aan haar om eventueel een melding te doen aan de Financial Intelligence Unit (FIU) of de bankrelatie op grond van artikel 35 ABV op te zeggen (waarover hierna meer). Dat betekent echter niet dat zij haar klantenonderzoek niet heeft kunnen afronden en dat sprake zou zijn van de opzegplicht van artikel 5 lid 3 Wwft. De slotsom is dat Rabobank dus niet verplicht was de klantrelatie op te zeggen.
De beëindiging van de bankrelatie op grond van artikel 35 ABV
4.16.
Naast de wettelijke opzegplicht uit artikel 5 lid 3 Wwft, heeft Rabobank zich ook beroepen op haar contractuele opzeggingsbevoegdheid van artikel 35 ABV. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat een bank de contractuele bevoegdheid heeft om klantrelaties op te zeggen op grond van artikel 35 ABV. Deze bevoegdheid is niet onbegrensd en wordt mede ingekleurd door de algemene bancaire zorgplicht uit artikel 2 ABV en de bijzondere civielrechtelijke zorgplicht die daarnaast op banken rust vanwege hun maatschappelijke functie en deskundigheid. De bank dient daarom niet alleen haar eigen belang te dienen, maar naar beste vermogen ook rekening te houden met de belangen van haar klanten. Onder omstandigheden kan het gebruik van deze contractuele opzeggingsbevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn in de zin van artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
De opzegging is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
4.17.
[eiser] stelt dat de opzegging van de bankrelatie door Rabobank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat dit betekent dat hij de volledige hypotheekschuld van ongeveer 113 duizend euro moet betalen aan Rabobank, wat hij onmogelijk in één keer kan betalen. Ook kan hij niet op korte termijn een herfinanciering krijgen en komt hij niet in aanmerking voor commerciële huur. Hij heeft namelijk geen vaste baan, voornamelijk omdat hij voor zijn ouders in Turkije moet zorgen. Dat betekent feitelijk dat hij de woning moet verkopen, waardoor hij en zijn gezin de woning moeten verlaten en een groot huisvestingsprobleem zal ontstaan.
4.18.
Volgens Rabobank is de opzegging van de bankrelatie niet onaanvaardbaar. Wat betreft de beëindiging van [eiser] bankrekeningen geldt dat [eiser] niet wordt uitgesloten van het bancaire systeem, omdat hij ook rekeningen heeft bij ING en HSBC. Verder kan voortzetting van de bankrelatie niet van Rabobank worden gevergd, omdat de herkomst waarmee [eiser] de rente- en aflossingsverplichtingen van de hypotheek voldoet onvoldoende kan worden vastgesteld. Dit vormt een onaanvaardbaar, doorlopend witwasrisico. Mogelijke ernstige gevolgen – zoals de executoriale verkoop van de woning – zijn het gevolg van het eigen handelen van [eiser] . [eiser] heeft bovendien bij de aanvraag van de hypotheek onjuiste informatie aan Rabobank verstrekt, zodat opeising van de lening reeds op grond van de algemene basisvoorwaarden leningen is toegestaan en niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
4.19.
De rechtbank is van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Rabobank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Ter toelichting geldt het volgende.
-
Geen sprake van hypotheekfraude
4.20.
Rabobank voert aan dat [eiser] heeft bij zijn hypotheekaanvraag onjuiste of incomplete informatie verstrekt aan Rabobank, waardoor Rabobank (ook) op grond van artikel 4 sub c onder 18 (zie onder 2.4) van de algemene basisvoorwaarden leningen bevoegd was de hypotheek op te eisen. Bij hypotheekfraude kan volgens Rabobank van onaanvaardbaarheid van opzegging van de bankrelatie ex artikel 35 ABV geen sprake zijn. Rabobank onderbouwt dit als volgt.
4.21.
Toen [eiser] op 25 april 2017 zijn hypotheekaanvraag deed heeft hij een werkgeversverklaring bijgevoegd van dezelfde datum (zie hiervoor 2.5). Ook heeft [eiser] in zijn reactie van 13 november 2024 (zie hiervoor 2.16) aangegeven dat hij op 25 april 2017 nog in dienst was bij [bedrijf 1] . Uit de daarbij gevoegde loonspecificatie blijkt echter dat [eiser] per 23 april 2017 niet meer in dienst was bij [bedrijf 1] . Volgens Rabobank heeft [eiser] bij de hypotheekaanvraag ten onrechte de indruk gewekt dat hij in dienst was bij [bedrijf 1] , terwijl dit niet het geval was. Dit is een ernstige vertrouwensbreuk en rechtvaardigt het opzeggen van de bankrelatie en het opeisen van de hypotheek, aldus steeds Rabobank.
4.22.
De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat [eiser] (bewust) onjuiste informatie heeft aangeleverd bij Rabobank. [eiser] heeft betwist dat hij op 23 april 2024 al uit dienst was bij [bedrijf 1] en voert aan dat bij de salarisspecificatie een fout moet zijn gemaakt in de datum van uitdiensttreding. [naam] , bestuurder van [bedrijf 1] , heeft ter zitting ook verklaard dat dit een administratieve fout moet zijn geweest. In dit licht legt de uitdraai van de salarisspecificatie onvoldoende gewicht in de schaal om te kunnen oordelen dat de werkgeversverklaring van 25 april 2017 onjuist is. Daarnaast staat als niet (voldoende gemotiveerd) betwist vast dat [eiser] direct aansluitend aan zijn dienstverband bij [bedrijf 1] en met hetzelfde werk is doorgegaan als zzp’er via zijn eenmanszaak [bedrijf 2] bij Neno Personeelsdiensten B.V., een zusterbedrijf van [bedrijf 1] . Dit is ook onderbouwd met uitdraaien van het arbeidsverleden van [eiser] , salarisspecificaties, IB-aangiften en bankafschriften van ING die aan Rabobank zijn verstrekt. Hieruit blijkt dat hij daadwerkelijk salaris heeft ontvangen van [bedrijf 1] tot en met 2 mei 2017 en dat hij in 2017 zowel heeft gewerkt voor [bedrijf 1] als voor Neno Personeelsdiensten.
4.23.
Aan Rabobank kan worden toegegeven dat [eiser] op grond van de algemene basisvoorwaarden leningen in beginsel aan haar had moeten melden dat hij kort na de hypotheekaanvraag via een zzp-constructie is gaan werken. Dat [eiser] dit niet heeft gedaan, is evenwel in dit geval wel te begrijpen. Hij bleef namelijk feitelijk hetzelfde werk doen bij een gelieerde onderneming en werd daar beter voor betaald. Dat [eiser] er daarom niet bij heeft stilgestaan dat dit voor Rabobank mogelijk toch relevante informatie zou kunnen zijn bij het beoordelen van de hypotheekaanvraag, is te volgen. Van bewust verstrekken van foute informatie over zijn inkomenspositie of het opzettelijk verzwijgen van de verandering in zijn werkconstructie, is niet gebleken. Het gaat dan ook te ver om in dit geval van hypotheekfraude te spreken. Dat het niet informeren van Rabobank over die wijziging in dit geval te vergoelijken is, in de zin dat daaraan geen vergaande gevolgen voor [eiser] kunnen worden verbonden, vloeit ook voort uit het feit dat nooit sprake is geweest van betalingsachterstanden wat de stelling van [eiser] dat het inkomen altijd toereikend is geweest, onderbouwt. Tot slot heeft Rabobank haar standpunt op zitting dat [eiser] in de zzp-constructie waarschijnlijk geen hypotheek zou hebben gekregen niet (voldoende) onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
-
Geen witwasrisico aannemelijk geworden
4.24.
Het door Rabobank aangevoerde witwasrisico acht de rechtbank niet aannemelijk. Hoewel de antwoorden van [eiser] misschien geen volledige zekerheid gaven, volgt uit hetgeen hiervoor onder 4.9 tot en met 4.14 is overwogen dat [eiser] de herkomst van zijn (contante) middelen grotendeels heeft verklaard. Daarnaast is een totaalbedrag van € 13.205 aan contante stortingen over zeven jaar een relatief gering bedrag, dat op zichzelf onvoldoende is voor een indicatie van witwassen. Rabobank heeft nog aangevoerd dat de stortingen tussen 2017 en 2024 niet evenredig verspreid waren en er in 2024 een sterke toename is geweest, zodat sprake is van een actueel risico. Het onevenredige verloop of toename van de stortingen hoeft op zichzelf echter niets te betekenen, en er zijn ook vier jaren geweest waarin [eiser] niets heeft gestort. Daarnaast heeft [eiser] onbetwist aangevoerd dat de reden van de omvang van de contante storingen in 2024 is geweest dat Rabobank had verzocht om het saldo op zijn rekening te verhogen met het oog op de continuïteit van de automatische incasso’s van de hypotheeklasten. Tot slot heeft Rabobank verder niet gesteld dat er indicaties waren dat [eiser] betrokken is bij witwassen of financieren van terrorisme. Voor zover op de achtergrond voor Rabobank meespeelt dat zij in de (voormalige) betrokkenheid van [eiser] bij Stichting Siha een dergelijk risico wel ziet, kan dat in deze procedure geen rol spelen omdat dat niet aan de opzegging ten grondslag is gelegd.
-
Ingrijpende gevolgen opzeggen bankrelatie
4.25.
Hoewel Rabobank er terecht op heeft gewezen dat [eiser] niet uitgesloten wordt van het bancaire systeem aangezien hij ook rekeningen heeft bij ING en HSBC, kan ook zonder deze omstandigheid sprake zijn van een opzegging die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [eiser] heeft gemotiveerd aangevoerd dat met name de opzegging van de hypotheek verregaande gevolgen zou hebben voor hem en zijn gezin. Door de opzegging van de hypotheek zouden [eiser] en zijn gezin hun woning kwijtraken, zonder realistisch uitzicht op een andere plek om zich te huisvesten. Dat [eiser] onder zijn huidige financiële omstandigheden geen kans maakt om bij een andere financiële instelling een hypothecaire geldlening af te sluiten en evenmin een woning in de commerciële sector zal kunnen huren, is door Rabobank niet (gemotiveerd) weersproken. Daarnaast is het een feit van algemeen bekendheid dat er een schrijnend tekort aan sociale huurwoningen is. Hiermee heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat opzegging van de bankrelatie leidt tot een acuut huisvestingsprobleem voor zijn gezin met drie minderjarige kinderen.
Slotsom belangenafweging
4.26.
Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen – namelijk dat Rabobank geen opzegplicht had op grond van de Wwft, niet is komen vast te staan dat [eiser] Rabobank bij of na zijn hypotheekaanvraag (bewust) onjuist heeft geïnformeerd en dat een risico voor de integriteit van de financiële sector bij voortzetting van de bankrelatie met [eiser] niet aannemelijk is, heeft Rabobank geen rechtens relevant belang bij opzegging van de bankrelatie. Anderzijds heeft [eiser] wél een zwaarwegend belang om de bankrelatie en de hypotheek in stand te houden. Het gebruik van de contractuele opzeggingsbevoegdheid op basis van 35 ABV en van de contractuele opeisingsbevoegdheid op grond van artikel 4 van de algemene basisvoorwaarden leningen door Rabobank is daarom in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dat betekent dat Rabobank de bankrelatie met [eiser] moet voortzetten. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht en het bevel om de bankrelatie voort te zetten dan ook toewijzen. Het gevorderde verbod om de bankrelatie te beëindigen zal de rechtbank afwijzen, omdat [eiser] daar geen afzonderlijk belang meer bij heeft.
Verwijdering gegevens uit het IVR
4.27.
Zoals hiervoor onder 4.15 overwogen, heeft Rabobank haar klantonderzoek naar [eiser] kunnen afronden. Indien de gegevens van [eiser] (in weerwil van het kort geding vonnis toch) in het IVR zijn opgenomen, bestaat voor handhaving van die registratie geen grond. Het door [eiser] gevorderde bevel tot verwijdering van zijn gegevens uit het IVR wordt voor daarom toegewezen. Voor zover de vordering ook ziet op verwijdering van gegevens in enig ander register en op een manier waardoor – kort gezegd – [eiser] daar in de toekomst geen last van ondervindt, wordt dit afgewezen omdat dat door [eiser] niet is toegelicht.
Slotsom en proceskosten
4.28.
De bankrelatie, waaronder de hypotheek, moet in stand blijven en de gegevens van [eiser] moeten uit het IVR worden verwijderd. De daartoe strekkende vorderingen worden daarom toegewezen. Nu Rabobank heeft toegezegd een eventuele veroordeling te zullen nakomen, bestaat er onvoldoende belang bij oplegging van een dwangsom. De gevorderde dwangsom wordt daarom afgewezen.
4.29.
Rabobank is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Rabobank niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.496,00
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.30.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de opzegging van de bankrelatie onrechtmatig was omdat die opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was,
5.2.
beveelt Rabobank de bankrelatie met [eiser] voort te zetten, door het ongewijzigd aanbieden van de diensten die vóór de opzegging van de bankrelatie door Rabobank aan [eiser] werden verleend,
5.3.
beveelt Rabobank indien zij de persoonsgegevens van [eiser] in het Intern
Verwijzingsregister heeft geregistreerd, die registratie ongedaan te maken,
5.4.
veroordeelt Rabobank in de proceskosten van € 1.496,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als Rabobank niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart de veroordelingen onder 5.2 tot en met 5.4 uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, rechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 5 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3783.
2.Hof Arnhem-Leeuwarden 10 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3542, r.o. 3.9; zie ook Concl. A-G Hartlief 9 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:934, overweging 2.4 e.v.