ECLI:NL:RBAMS:2025:9311

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
11847245 EA 25-962
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet en billijke vergoeding in arbeidsrechtelijke geschil

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een arbeidsrechtelijk geschil tussen een werknemer en zijn werkgever, TECHNISCHE UNIE B.V. De werknemer, die sinds 1 januari 2007 in dienst was als magazijnmedewerker, werd op 23 juni 2025 op staande voet ontslagen. De werkgever voerde aan dat de werknemer via het personeelsbestelsysteem onterecht duurdere artikelen had besteld en ontvangen, wat leidde tot een dringende reden voor ontslag. De werknemer verzocht om een billijke vergoeding en een transitievergoeding, maar de werkgever betwistte dit en stelde dat het ontslag rechtsgeldig was.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven, omdat de werkgever onvoldoende voortvarend had gehandeld in het onderzoek naar de onregelmatigheden. Hierdoor had de werknemer in beginsel recht op een billijke vergoeding. Echter, gezien het ernstig verwijtbare handelen van de werknemer, werd de billijke vergoeding op nihil gesteld. De kantonrechter kende de werknemer wel een gefixeerde schadevergoeding toe van € 13.801,34 bruto, omdat het ontslag niet rechtsgeldig was gegeven. De proceskosten werden gecompenseerd, wat betekent dat beide partijen hun eigen kosten moesten dragen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11847245 \ EA VERZ 25-962

Beschikking van 24 november 2025

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker
hierna te noemen: werknemer,
gemachtigde: aanvankelijk mr. A. van der Vis, nadien mr. D.I.M. Pollaert,
tegen

de besloten vennootschap TECHNISCHE UNIE B.V.,

gevestigde te Amstelveen,
verweerster
hierna te noemen: werkgever
gemachtigde: mr. R.M. Dessaur.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Werknemer heeft op 22 augustus 2025 een verzoekschrift met producties ingediend met het verzoek hem wegens de opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkgever een billijke vergoeding toe te kennen, en werkgever te veroordelen hem de transitievergoeding en een vergoeding wegens de onregelmatige opzegging te betalen. Daarnaast heeft werknemer nog een aantal nevenverzoeken gedaan.
Werkgever heeft op 2 oktober 2025 een verweerschrift, met producties ingediend.
Op 27 oktober 2025 is de zaak mondeling behandeld. Werknemer is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor werkgever zijn verschenen mevrouw [naam 1] , de heer
[naam 2] en de heer [naam 3] bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht – beiden gemachtigden mede aan de hand van een pleit-nota – en vragen van de kantonrechter beantwoord.
Tot slot is de beschikking bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.
1.1.
Werknemer, geboren [geboortedatum] 1972, is op 1 januari 2007 bij werkgever dienst getreden in de functie van magazijnmedewerker, met een salaris van laatstelijk € 2.852,46 bruto per maand, exclusief emolumenten waaronder 8% vakantiegeld en 12,5% onregelmatigheidstoeslag.
1.2.
Werkgever is een groothandel in technische oplossingen voor installatie en industrie, met 38 vestigingen en twee distributiecentra. Werknemer is werkzaam in een van de twee distributiecentra.
1.3.
Werkgever biedt medewerkers de mogelijkheid om met korting artikelen uit het assortiment van werkgever te kopen voor eigen gebruik voor een maximaal bedrag van € 2.000,00 per jaar. Werknemer heeft met gebruik van deze regeling via het personeelssysteem meermaals bestellingen geplaatst.
1.4.
In verband met al langere tijd bestaande veelvuldige en onverklaarbare voorraadverschillen met betrekking tot onder meer zogenoemde meter (groepen) kasten van het merk Hager heeft werkgever op 7 november 2024 opdracht gegeven tot het uitvoeren van een intern onderzoek. Dit onderzoek heeft meerdere maanden in beslag genomen. Van het onderzoek is op 16 juli 2025 een uitgebreid verslag gemaakt.
1.5.
Op 23 juni 2025 is werknemer op staande voet ontslagen. Bij brief van gelijke datum is dit aan werknemer bevestigd. In de brief staat vermeld dat uit intern onderzoek is gebleken dat
“…
u meermalen via het personeelssysteem bestellingen uit het assortiment van uw werkgever hebt geplaatst voor (goedkope) producten terwijl u vervolgens andere (duurdere) producten bij u thuis geleverd heeft gekregen. U heeft dit vervolgens niet aan uw leidinggevende of werkgever gemeld, noch de onterecht ontvangen producten teruggegeven of geretourneerd. Hierdoor hebt u in ieder geval persoonlijk voordeel genoten ten koste van uw werkgever, wat wij aanmerken als een ernstige schending van de op u rustende verplichtingen als goed werknemer.”
Vervolgens worden hiervan vier voorbeelden genoemd die zouden zijn voor-gevallen op 6 januari 2024, 4 juni 2024, 6 mei 2025 en 2 juni 2025. Daarnaast wordt aan het ontslag ten grondslag gelegd dat werknemer vaker op een afwijkende manier heeft gewerkt met betrekking tot het plaatsen en verplaatsen van artikelen (dozen) op meerdere momenten, bijvoorbeeld 21 maart, 28 mei en 2 juni 2025.
1.6.
Werknemer heeft berust in het gegeven ontslag, waardoor het dienstverband op 23 juni 2025 is geëindigd.
1.7.
Werkgever heeft op 31 juli 2025 tegen werknemer aangifte van verduistering gedaan. Tussen partijen is een procedure aanhangig bij de rechtbank Rotterdam waarin werkgever van werknemer een aanzienlijke schadevergoeding vordert.
Verzoeken en verweer
2. Werknemer verzoekt primair hem ten laste van werkgever een billijke vergoeding toe te kennen van - na wijziging van zijn verzoek - € 200.000,00 bruto, zulks op grond van artikel 7:681 Burgerlijk Wetboek (BW). Daarnaast verzoekt hij werkgever te veroordelen hem de transitievergoeding en de (gefixeerde) vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen. Volgens werknemer is werkgever op grond van artikel 7:673 lid 1 BW een transitievergoeding verschuldigd van € 21.757,15 bruto. Werknemer stelt verder dat werkgever op grond van artikel 7:672 lid 11 BW een vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd is ten bedrage van € 14.676,92 bruto. Subsidiair - voor het geval de arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig is geëindigd door het ontslag op staande voet - verzoekt werknemer werkgever te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding. In beide gevallen verzoekt werknemer de bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging.
3. Verder verzoekt werknemer werkgever te veroordelen tot betaling van de eind-afrekening onder verstrekking van een deugdelijke specificatie op straffe van een dwangsom en tot betaling van de waarde van de door werknemer gekochte obligaties ter waarde van € 11.685,35. Tot slot verzoekt werknemer werkgever te veroordelen tot betaling van een vergoeding van zijn juridische kosten ter hoogte van € 8.540,18 inclusief btw, althans een in goede justitie te bepalen vergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente.
4. Aan zijn verzoeken legt werknemer ten grondslag - kort weergegeven - dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en voorts dat dit ontslag ook niet onverwijld is gegeven. Tot slot stelt werknemer dat er geen rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat hij voorafgaand aan het ontslag op staande voet net het bericht had ontvangen van het plotselinge overlijden van zijn moeder, de lange duur van het dienstverband van 18,5 jaar en de verstrekkende financiële gevolgen voor werknemer en zijn gezin.
5. Werkgever voert verweer. Zij voert aan - samengevat - dat zij de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd op 23 juni 2025 wegens een dringende reden. Het ontslag is onverwijld gegeven en daarbij zijn aan werknemer de redenen gegeven die ten grondslag hebben gelegen aan het ontslag. Nu er sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet zijn de door werknemer verzochte vergoedingen niet aan de orde, dan wel verzoekt werkgever deze te matigen. Volgens werkgever heeft zij al een eindafrekening gedaan en beroept zij zich op verrekening van haar schade met hetgeen zij nog aan werknemer is verschuldigd, dan wel schort zij haar betaling op.
6. Op de nadere standpunten van partijen zal - voor zover - relevant bij de beoordeling worden ingegaan.

Beoordeling

7. Gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 BW is het verzoek van werknemer tijdig ingediend.
8. Met het oog op de verzoeken van werknemer moet allereerst beoordeeld te worden of er sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet in de zin van artikel 7:677 BW. Dat betekent dat bekeken moet worden of het ontslag (voldoende) onverwijld is gegeven, met gelijktijdige mededeling aan de werknemer, en of er een dringende reden aan ten grondslag ligt.

Onverwijldheid

9. Allereerst moet worden beoordeeld of het ontslag onverwijld is gegeven. Daarvoor moet in onderhavig geval worden beoordeeld of (i) de werkgever voldoende voort-varend onderzoek heeft verricht of laten verrichten naar de vermoedens van betrokkenheid van werknemer bij onregelmatigheden, (ii) het onderzoek voldoende voortvarend is uitgevoerd, (iii) de werkgever zich voldoende voortvarend van de, ook tussentijdse, bevindingen uit het onderzoek op de hoogte heeft gesteld en (iv) de werkgever na kennisneming daarvan voldoende voortvarend is overgegaan tot het ontslag op staande voet (zie ECLI:NL:HR:2023:1668).
10. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval onvoldoende voortvarend is gehandeld en overweegt daartoe het volgende. Werkgever heeft toegelicht dat haar al langere tijd was gebleken dat er onverklaarbare voorraadtekorten bestonden en dat bepaalde artikelen in het distributiecentrum om onduidelijke redenen werden verplaatst. Nadat een eerdere poging het lek boven water te krijgen niet tot resultaten leidde, is werkgever in november 2024 een grootschalig intern onderzoek gestart. In het daarvan opgemaakte rapport valt te lezen hoe het onderzoek zich chronologisch heeft voltrokken. Zo valt te lezen dat werkgever in het kader van het onderzoek vanaf januari 2025 een geheime camera in het magazijn heeft geïnstalleerd. Na opnieuw geconstateerde voorraadverschillen, zijn op 26 maart 2025 de camerabeelden bekeken en is geconstateerd dat werknemer op 21 maart 2025 afwijkende handelingen in het magazijn verrichtte. Vervolgens is na opnieuw vastgestelde voorraadverschillen op 28 mei 2025 uit beelden gebleken dat werknemer ook op die datum afwijkende handelingen heeft verricht. En hetzelfde geldt voor 2 juni 2025. Daarna zijn volgens het rapport op 11 juni 2025 de personeelsgegevens van werknemer opgevraagd en is er onderzoek naar zijn bestelgeschiedenis gedaan. Volgens heeft werkgever een door werknemer op 20 juni 2025 gedane bestelling onderzocht en ook daarbij onregelmatigheden aangetroffen. Hierop heeft werkgever op 23 juni 2025 werknemer met de diverse bevindingen in een gesprek geconfronteerd, waarna zij hem op staande voet heeft ontslagen.
11. Hoewel van een werkgever mag worden verwacht dat er deugdelijk onderzoek plaats-vindt alvorens tot een ontslag opstaande voet wordt overgegaan, is door werkgever onvoldoende verklaard waarom na 2 juni 2025 het nog 21 dagen heeft moeten duren totdat tot ontslag op staande voet kon worden overgegaan. Al vanaf maart 2025 was werknemer bij werkgever in beeld en in mei en juni 2025 hebben zich nogmaals onregelmatigheden rondom werknemer voorgedaan. Door werkgever is niet toegelicht waarom zij desondanks eerst op 11 juni 2025 de personeelsgegevens van werknemer heeft opgevraagd en zijn bestelgeschiedenis is gaan bestuderen. Daarna heeft het nog 8 dagen geduurd voordat met werknemer is gesproken. Weliswaar is voor te stellen dat het de nodige inspanning heeft gevergd om de modus operandi van werknemer te achterhalen, maar de kantonrechter is van oordeel dat het onderzoek, in elk geval vanaf 2 juni 2025, voortvarender had moeten worden uitgevoerd.
De conclusie is dan ook dat het ontslag niet onverwijld en dus niet rechtsgeldig is gegeven. Daarmee heeft werknemer – in beginsel – recht op een billijke vergoeding.
Dringende reden
12. De kantonrechter is van oordeel dat er, gelet op alle feiten en omstandigheden, een dringende reden aanwezig is. Uit de stukken en hetgeen is toegelicht ter zitting blijkt dat werknemer wordt verweten gedurende meerdere jaren via het personeelsbestel-systeem bestellingen te hebben geplaatst en betaald van goedkope producten uit het assortiment van werkgever, terwijl hij na een verwisseling van labels andere veel duurdere producten thuis geleverd heeft gekregen en behouden. Werkgever heeft daarbij toegelicht dat werknemer zo 83 Quooker boilers ter waarde van € 821,49 per stuk en 365 Hager meter (groepen) kasten ter waarde van om en nabij € 1.500,00 per stuk heeft verkregen zonder daarvoor de juiste prijs te betalen. Het is door een uitgebreid onderzoek aan het licht gekomen, mede omdat werknemer in het magazijn afwijkend gedrag liet zien. Werkgever toont een en ander aan door middel van foto’s van de afgeleverde dozen en het ter zitting tonen van de door werknemer administratief bestelde goederen. Dat werknemer niet zou hebben geweten dat hem iets anders werd geleverd dan hij had besteld, is alleen al door de afmeting van de geleverde items niet mogelijk, aldus werkgever.
12. Werknemer heeft niet betwist dat door hem in de jaren 2023-2025 via het personeels-bestelsysteem tenminste 83 Quooker vulsets (met een geringe waarde) zijn besteld, net als 365 stuks (goedkope) Hagerproducten, maar hij betwist wel - dat hij wist - dat hem andere artikelen zijn geleverd dan die hij heeft besteld en betaald. Werknemer heeft verklaard dat hij de afgeleverde dozen steeds zonder te openen heeft doorgestuurd naar familie in Suriname. Voor zover er andere producten zouden zijn geleverd dan die hij heeft besteld en betaald, heeft hij daarvan geen weet gehad. Zo zijn handelswijze tijdens het werk op enig moment afwijkend zou zijn geweest, dan heeft daar een opdracht van zijn leidinggevende aan ten grondslag gelegen, aldus werknemer.
12. De kantonrechter acht het met werkgever onwaarschijnlijk dat werknemer geen weet heeft gehad van de van zijn bestellingen afwijkende leveringen. Werkgever heeft ter zitting de verpakkingen getoond van de door werknemer bestelde en van de aan hem geleverde artikelen. Daaruit bleek dat de door werknemer bestelde afdekplaatjes in een envelop passen, terwijl aan hem steeds grote dozen van aanzienlijke afmetingen op pallets zijn geleverd. Het laatste blijkt uit de (standaard) door de chauffeur bij aflevering gemaakte foto’s. Werknemer heeft ook niet betwist dat hij deze dozen op pallets heeft ontvangen. Het is volstrekt onaannemelijk dat werknemer het grote verschil tussen een klein afdekplaatje en een grote groepenkast niet is opgevallen. Op z’n minst hadden hierover bij hem vragen moeten rijzen en had het mede om die reden op zijn weg gelegen de geleverde dozen te openen. Werknemer heeft naar eigen zeggen echter de dozen ongeopend naar Suriname doorgestuurd. Nog daar gelaten dat nergens uit blijkt dat hij de dozen naar Suriname heeft doorgezonden, komt het dan voor zijn rekening en risico dat hij de leveranties niet eerst heeft gecontroleerd en in Suriname heeft men dat dan kennelijk ook niet gedaan.
12. Werkgever heeft voldoende onderbouwd op welke wijze werknemer ervoor heeft gezorgd dat aan hem andere, veel duurdere artikelen werden geleverd dan door hem administratief waren besteld en betaald, zonder dat dit tijdens de controles werd geconstateerd. Werknemer heeft hier tegenover de aan hem verweten gedragingen slechts in algemene bewoordingen betwist door aan te voeren dat het omwisselen van artikelen niet mogelijk is door de controles en dat hij niet bevoegd om producten op te boeken. Dit verweer moet als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd. Met voldoende zekerheid is vast komen te staan dat werknemer zijn werkgever gedurende langere tijd meermaals bewust financieel heeft benadeeld ten gunste van zichzelf (of bekenden in Suriname), waardoor sprake is van een dringende reden en van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer.
12. Dat werkgever werknemer voor het ontslag heeft gesproken op de dag dat hij kennis kreeg van het plotse overlijden van zijn moeder, is ongelukkig maar brengt niet mee dat werknemer daarom geen verwijt meer kan worden gemaakt. Bovendien heeft werk-gever onweersproken gesteld dat hij werknemer de keuze heeft gelaten het gesprek later plaats te laten vinden. Ook het feit dat werknemer ruim 18 jaar in dienst is geweest, hij gedurende die periode niet is aangesproken op zijn functioneren en het ontslag verstrekkende financiële gevolgen heeft, maakt het oordeel gelet op de ernst van de verweten gedragingen, niet anders.

Billijke vergoeding

17. Zoals eerder overwogen heeft werknemer in beginsel recht op een billijke vergoeding, omdat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. De kantonrechter ziet echter met inachtneming van het voorgaande aanleiding de billijke vergoeding vast te stellen op nihil. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat werknemer, zoals hiervoor is overwogen, ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. En indien geen ontslag op staande voet zou zijn gegeven, zou werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst op korte termijn hebben verzocht, welk verzoek gelet op het ernstig verwijtbaar handelen van werknemer ook voor toewijzing in aanmerking zou zijn gekomen.

Gefixeerde schadevergoeding

18. Nu werknemer niet rechtsgeldig en dus zonder de juiste opzegtermijn is ontslagen, heeft werknemer recht op de gefixeerde schadevergoeding van artikel 7:672 lid 11 BW. Werkgever heeft niet betwist dat een er een opzegtermijn van vier maanden geldt. Uitgaande van een salaris van € 2.852,46 per maand, te vermeerderen met 12,5% onregelmatigheidstoeslag en 8% vakantietoeslag, berekende de kantonrechter een bedrag van € 13.801,34 bruto. De kantonrechter kan deze vergoeding vanwege het bepaalde in artikel 7:672 lid 12 BW niet matigen. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 23 juli 2025, een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW). Werknemer heeft geen recht op de wettelijke verhoging over de gefixeerde schadevergoeding omdat dat geen loon is zoals bedoeld in artikel 7:625 BW. Dat onderdeel van het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Transitievergoeding

19. Werknemer heeft om betaling van de wettelijke transitievergoeding verzocht. Op grond van de wet is een werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat werknemer ernstig verwijtbaar handelen kan worden verweten en dat betekent dat de transitievergoeding niet verschuldigd is.
19. Ook ziet de kantonrechter in de door werknemer aangevoerde omstandigheden te weten het lange dienstverband zonder aanmerkingen op zijn functioneren en de gevolgen die het ontslag voor hem meebrengen geen aanleiding voor het toekennen van een transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 8 BW. Het hierop ziende verzoek van werknemer zal worden afgewezen.

Nevenverzoeken

21. Door werkgever is niet betwist dat er voor werknemer in beginsel aanspraak heeft op betaling van de door hem gestelde posten, te weten i) het pro rata vakantiegeld ii) het saldo aan opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren, iii) de pro rata winstuitkering over het jaar 2025 iv) het pro rata deel van het bedrag dat werknemer reeds van zijn winstuitkering heeft betaald voor deelname aan bedrijfsfitness waar hij na 23 juni 2025 geen gebruik meer van heeft kunnen maken en v) het bedrag van € 11.685,35 voor de door werknemer aan werkgever verkochte obligaties.
21. Werkgever stelt zich echter op het standpunt dat zij deze posten mag verrekenen met de door haar van werknemer te vorderen schadevergoeding van 1,2 miljoen euro. Hoewel de hoogte van de aan werkgever toe te kennen schadevergoeding niet vast staat en niet eenvoudig is te berekenen, ligt het wel in de lijn der verwachting dat dit een veelvoud is van het bedrag dat met de nevenverzoeken/-vorderingen van werknemer gemoeid is. Deze verzoeken van werknemer zullen dan ook hier onbehandeld worden gelaten en in de procedure in Rotterdam kunnen worden mee genomen bij het beroep van werkgever op verrekening.
23. Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, bestaat er aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:
veroordeelt werkgever tot betaling aan werknemer van een bedrag van € 13.801,34 bruto aan gefixeerde schadevergoeding;
compenseert de kosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.V. Ulrici, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
399.MVU