Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[verdachte] ,
Inleiding en procesgang
15 juli 2024het verzoek namens de verdachte om getuigen te horen gedeeltelijk toegewezen. Zij heeft daarbij de verdediging en het Openbaar Ministerie verzocht om naspeuring te doen naar de adres-/contactgegevens van een aantal getuigen die nog niet in het dossier stonden. De rechter-commissaris heeft opgemerkt dat als deze getuigen zich in Rusland of Wit Rusland bevinden zij hen niet zal oproepen en dat als volgt toegelicht: “
Alle rechtshulp met Rusland en Wit-Rusland ligt momenteel stil en zal ook niet in de nabije toekomst worden hervat gezien de huidige situatie. Op dit moment is het ook niet duidelijk wanneer dit wel zou kunnen worden hervat, aldus mededeling van [naam instantie] ( [naam instantie] ) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.”
24 september 2024de beslissing van de rechter-commissaris in zoverre vernietigd dat een aantal door de rechter-commissaris afgewezen getuigen alsnog zijn toegewezen. De rechtbank heeft de voorwaarde dat de getuigen zich niet in Rusland of Wit-Rusland mogen bevinden in stand gelaten. Zij heeft ten aanzien van de door haar toegewezen getuigen bepaald dat de getuigen niet worden opgeroepen als blijkt dat zij in Rusland of Wit-Rusland verblijven. De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie en de verdediging net als de rechter-commissaris verzocht om naspeuring te doen naar de adres-/contactgegevens van de toegewezen getuigen en die aan de rechter-commissaris te verstrekken.
23 december 2024onder verwijzing naar de beslissing van de rechter-commissaris van 15 juli 2024 verzocht om nadere informatie te verstrekken over het contact van de rechter-commissaris (of iemand anders) met [naam instantie] .
2 januari 2025te kennen gegeven dat zij die informatie niet met de raadsman kan delen.
13 januari 2025de rechter-commissaris per e-mail verzocht om op de verdediging aangegeven punten, betrekking hebbend op het contact met [naam instantie] , nader geïnformeerd te worden en dit vast te leggen in een proces-verbaal.
17 januari 2025per e-mail laten weten dat [naam instantie] haar heeft voorgelicht over de mogelijkheden van rechtshulpverzoeken aan Rusland en Wit-Rusland, dat het antwoord op die vraag in haar beslissing op de onderzoekswensen te vinden is en dat zij de details van de beantwoording door [naam instantie] niet met de raadsman kan delen.
23 januari 2025. In dit proces-verbaal vermeldt de rechter-commissaris dat de raadsman informatie heeft aangeleverd met mogelijke adres-/contactgegevens van de toegewezen getuigen, die op verzoek van de rechter-commissaris door het Openbaar Ministerie zijn onderzocht en waarvan de FIOD proces-verbaal heeft opgemaakt. Op basis van die informatie heeft de rechter-commissaris geconstateerd dat het aannemelijk is dat de getuigen zich in (Wit-)Rusland bevinden, althans dat er geen aanwijzingen zijn dat zij zich in een land buiten dat gebied bevinden. In datzelfde proces-verbaal heeft de rechter-commissaris herhaald dat zij van [naam instantie] heeft vernomen dat alle rechtshulp met Rusland en Wit-Rusland momenteel stil ligt en ook niet in de nabije toekomst zal worden hervat gezien de huidige situatie, en dat op dit moment niet duidelijk is wanneer dit wel zou kunnen worden hervat. Dit betekent dat deze getuigen niet op een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord en dat het onderzoek van de rechter-commissaris zal worden gesloten, aldus de rechter-commissaris.
23 januari 2025namens de verdachte bezwaar aangetekend tegen de weigering van de rechter-commissaris om een proces-verbaal op te maken over haar contact met [naam instantie] zoals verwoord in haar e-mail van 17 januari 2025.
10 april 2025de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. [1]
Artikel 182, zesde lid, Sv, bepaalt dat de verdachte een bezwaarschrift kan indienen als de rechter-commissaris weigert om de door de verdachte gewenste onderzoekshandelingen te verrichten.
23 april 2025de rechter-commissaris verzocht een ‘NN-persoon, werkzaam bij de [naam instantie] in Strafzaken ( [naam instantie] )’ als getuige te horen.
24 april 2025het verzoek afgewezen en dat als volgt gemotiveerd: “
In uw brief van gisteren (…) verzoekt u mij een NN-persoon, werkzaam bij de [naam instantie] in Strafzaken ( [naam instantie] ) te horen als getuige. Ik zal daartoe niet overgaan. (…) [D]it geen onderzoekshandeling in de zin van artikel 182 Sv Pro. Ik verwijs in dit verband naar de hierna ingekopieerde overweging in de beslissing van de meervoudige raadkamer op uw bezwaar van 10 april 2025, welke overweging ook opgaat voor het verzoek tot ondervraging van de [naam instantie] -medewerker. Het begrip ‘onderzoekshandeling’ is in het Wetboek van Strafvordering niet gedefinieerd. Ook de wettekst en de wetsgeschiedenis van artikel 182, zesde lid, Sv, bieden geen uitsluitsel over de reikwijdte van dit begrip en de bezwaarmogelijkheid van de wetsbepaling. De rechtbank overweegt dat een redelijke wetsuitleg met zich brengt dat het begrip ‘onderzoekshandeling’ betrekking heeft op de onderzoekshandeling als zodanig en niet op de wijze waarop deze wordt uitgevoerd.”
28 april 2025ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
28 oktober 2025het bezwaarschrift in besloten raadkamer behandeld.
Bezwaar
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Beoordeling
dienaangaandeonderzoekshandelingen te verrichten.