ECLI:NL:RBAMS:2025:8830
Rechtbank Amsterdam
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen en onvoldoende re-integratieinspanning werknemer
De werknemer was sinds 1 oktober 2019 in dienst van de Staat, laatstelijk als medewerker toezicht/inspecteur. Vanaf 15 januari 2024 meldde zij zich ziek. De Staat maande haar meerdere malen tot het nakomen van haar re-integratieverplichtingen, waaronder het bezoeken van de bedrijfsarts. Na herhaalde niet-nakoming schortte de Staat de loonbetaling op per 24 februari 2025.
Een arbeidsdeskundige stelde vast dat de werknemer zonder geldige reden niet op meerdere consulten bij de bedrijfsarts verscheen, wat een tekortkoming in haar re-integratie-inspanningen vormt. De werknemer stelde dat er een afspraak was dat zij niet hoefde te voldoen aan haar verplichtingen zolang de loonbetaling was opgeschort, maar deze stelling werd niet onderbouwd en door de rechter verworpen.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende re-integratie-inspanningen te verrichten en dat de loonopschorting terecht was. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden met ingang van 1 december 2025, de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij reguliere opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van de procedure.
De werknemer werd een transitievergoeding van €12.907,45 bruto toegekend, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2026. Verzoeken van de werknemer tot betaling van achterstallig loon en een billijke vergoeding werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens verwijtbaar handelen van de werknemer, met toekenning van transitievergoeding.