ECLI:NL:RBAMS:2025:8828

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
11804788 \ CV EXPL 25-9915
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling uit hoofde van een private leaseovereenkomst met toetsing aan consumentenrecht en oneerlijk rentebeding

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 18 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen Volkswagen Pon Financial Services B.V. en een gedaagde partij, die in persoon procedeerde. De eisende partij vorderde betaling van € 17.856,38 uit hoofde van een private leaseovereenkomst voor een Volkswagen T-Roc, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten, rente en proceskosten. De procedure begon met een dagvaarding op 16 juli 2025, gevolgd door een mondelinge erkenning van de vordering op 29 juli 2025.

De kantonrechter heeft ambtshalve getoetst of de leaseovereenkomst voldeed aan de informatieplichten uit het consumentenrecht. De rechter oordeelde dat de eisende partij aan deze verplichtingen had voldaan, aangezien alle essentiële informatie in de overeenkomst was opgenomen en de gedaagde partij deze had kunnen doornemen voor ondertekening. De vordering was gebaseerd op onbetaalde leasetermijnen en andere kosten, die transparant waren en niet als oneerlijk werden aangemerkt.

De kantonrechter heeft ook de hoogte van de gevorderde rente beoordeeld. De contractuele rente van 1,5% per maand werd als onevenredig hoog beschouwd, waardoor de wettelijke regeling van toepassing werd. De vordering tot wettelijke rente werd afgewezen. De kantonrechter heeft de gedaagde partij grotendeels in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, met een totaalbedrag van € 2.055,28 aan proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11804788 \ CV EXPL 25-9915
Vonnis van 18 november 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V.,
gevestigd te Amersfoort,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 juli 2025, met producties,
- het proces-verbaal van 29 juli 2025, houdende een mondelinge erkentenis van de vordering.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert uit hoofde van een met gedaagde partij gesloten private leaseovereenkomst met betrekking tot een personenauto, te weten een Volkswagen T-Roc, veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 17.856,38 aan hoofdsom, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten, rente en proceskosten.
2.2.
De leaseovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen een handelaar en een consument. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht, ook als de vordering is erkend, zoals hier. Onder meer moet worden getoetst of eisende partij heeft voldaan aan de informatieplichten. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.3.
Over de informatieplichten stelt eisende partij in de dagvaarding dat de overeenkomst is gesloten in de verkoopruimte bij de autodealer. Onder die omstandigheden is sprake van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen valt immers niet onder de definities van overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 onder e en f van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat deze valt in de ‘restcategorie’. In dat geval zijn de informatieplichten van artikel 6:230l BW van toepassing. Eisende partij heeft gemotiveerd gesteld op welke wijze zij aan deze verplichtingen heeft voldaan. Alle essentiële informatie als bedoeld in dat artikel is ook opgenomen in de overeenkomst, die gedaagde partij heeft kunnen doornemen alvorens deze te ondertekenen. Aan de informatieplichten heeft eisende partij dan ook voldaan.
2.4.
Uit de specificatie in de dagvaarding volgt dat de hoofdsom bestaat uit onbetaald gelaten leasetermijnen, schade bij inname van het voertuig, een kilometerafrekening, beëindigingskosten, kosten voor inname, transportkosten en eigen risico vanwege schade.
2.5.
Voor ieder onderdeel van de vordering moet worden onderzocht welk(e) beding(en) hieraan ten grondslag liggen of kunnen liggen. Voor wat betreft de bedingen die zien op de kern van de prestaties, zoals de prijs, moet worden onderzocht of deze transparant zijn. Als dat het geval is, eindigt de toets daar. Als dat niet het geval is, moet worden getoetst of de bedingen oneerlijk zijn. Bedingen die niet zien op de kern van de prestaties maar wel aan de vordering ten grondslag (kunnen) liggen, moeten worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn.
2.6.
De onbetaald gelaten leasetermijnen en de kilometerafrekening (onderdeel van de eindafrekening) zijn gebaseerd op transparante kernbedingen over de prijs, zodat verdere toetsing aan de richtlijn ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn niet aan de orde is. De betalingsvoorwaarden volgen uit artikel 20 van de Keurmerk Voorwaarden. Dat artikel is getoetst en niet oneerlijk bevonden. Geconstateerd wordt dat de hoogte van de maandelijkse leasetermijnen is gewijzigd met hooguit enkele euro’s. De kantonrechter is er ambtshalve mee bekend dat die wijzigingen in de prijs (kunnen) zien op veranderingen in onder meer de verschuldigde wegenbelasting, zoals ook in expliciet in de leaseovereenkomst is voorbehouden. De grondslag voor het doorvoeren van dergelijke kosten is artikel 14 van de Keurmerk Voorwaarden. Dat artikel is getoetst en niet oneerlijk bevonden, nu de wijzigingen in de belastingen of andersoortige heffingen van overheidswege buiten de invloedsfeer van eisende partij liggen en niet vooraf voorzienbaar waren of konden worden verdisconteerd in de leaseprijs. In ieder geval brengt het beding geen aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen teweeg.
2.7.
De post ‘kosten voortijdige beëindiging’ is gegrond op (de aanvulling op) artikel 51 in samenhang met (de aanvulling op) artikel 47 van de Keurmerk Voorwaarden. Op grond van dit beding is gedaagde partij een vergoeding verschuldigd ingeval van voortijdige beëindiging van de overeenkomst. In het beding staat dat de vergoeding op twee manieren kan worden berekend. De berekeningswijze die voor de consument het meest gunstig is, wordt gebruikt. Dat staat in het beding. Eisende partij stelt dat dit beding niet oneerlijk is, omdat zij verlies lijdt bij voortijdige beëindiging. Dat betreft boekwaardeverlies van de auto. Auto’s schrijven degressief af. De kosten zien ook op gedeeltelijke compensatie voor gederfde winst. De winstopslag die is verdisconteerd in de leaseprijs wordt niet meer behaald. De kantonrechter constateert dat de opzegvergoeding wordt berekend aan de hand van de leaseprijs inclusief btw, terwijl het een vorm van schadevergoeding is die niet btw-plichtig is. Dat neemt niet weg dat, ook al wordt de opzegvergoeding berekend aan de hand van de leaseprijs inclusief btw, het geen onevenredig hoge schadevergoeding oplevert. De opzegvergoeding staat in redelijke verhouding tot de door eisende partij (bij benadering te verwachten) te lijden schade en de wijze van berekenen is in lijn met artikel 6:277 BW. Dat maakt dat het artikel niet als oneerlijk wordt aangemerkt.
2.8.
Het beding in artikel 22 van de Keurmerk Voorwaarden geeft eisende partij het recht de leaseovereenkomst te ontbinden bij niet tijdige betaling van een of meer termijnbedragen. Dat beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, omdat daaruit volgt dat een tekortkoming ontbinding ook moet rechtvaardigen. Daar zit een bepaalde redelijkheidstoets in. Op grond van het beding moet minimaal één maandtermijn niet zijn betaald, zodat niet iedere tekortkoming direct tot ontbinding leidt. Ook moet een aanmaning worden gestuurd om de consument in de gelegenheid te stellen alsnog te betalen, voordat kan worden ontbonden. Bovendien moet rekening worden gehouden met andere bepalingen van de overeenkomst, zoals de bepaling dat na ontbinding geen opzegvergoeding verschuldigd is als het uitblijven van betaling wordt veroorzaakt door bijvoorbeeld een echtscheiding of plotselinge loonstop. Een en ander compenseert in voldoende mate. Al met al komt de kantonrechter tot het oordeel dat het beding niet oneerlijk is, omdat het geen aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen oplevert.
2.9.
De gevorderde opzegvergoeding als gevolg van de ontbinding (onderdeel van de eindafrekening) is daarom toewijsbaar.
2.10.
Eisende partij heeft een bedrag vanwege ‘schade bij inname’ en een bedrag aan eigen risico vanwege inbraakschade (diefstal navigatiesysteem) in rekening gebracht. Dat onderdeel van de vordering is gegrond op artikel 62 van de Keurmerk Voorwaarden, waarin wordt verwezen naar Hoofdstuk K van dezelfde voorwaarden. Deze artikelen zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden. Weliswaar wordt de beoordeling van de schade overgelaten aan eisende partij, maar zij is bij het beoordelen daarvan gebonden aan het Innameprotocol, met daarin duidelijke en begrijpelijke beschrijvingen van wel en niet toelaatbare schadesituaties, voorzien van foto’s en voorbeelden.
2.11.
Nu de hoogte van de vordering door gedaagde partij wordt erkend, is de hoofdsom met inachtneming van het voorgaande toewijsbaar.
2.12.
Eisende partij maakt verder aanspraak op wettelijke rente. Zij heeft echter een rentebeding in de aanvullende algemene voorwaarden (aanvulling op artikel 20 van de Keurmerk Voorwaarden) staan van 1,5% per maand. Nu eisende partij geen toelichting heeft gegeven over de noodzaak en rechtvaardiging van een aanzienlijk hogere rente dan de destijds geldende wettelijke (handels)rente, wordt een contractuele rente van 1,5% per maand als onevenredig hoge schadevergoeding aangemerkt. De toelichting die eisende partij in vergelijkbare zaken over dit specifieke beding heeft gegeven maakt het beding niet eerlijk (verwezen wordt onder meer naar ECLI:NL:RBNHO:2025:9950). Het rentebeding wordt dan ook als oneerlijk aangemerkt en blijft buiten toepassing. Terugvallen op de wettelijke regeling met betrekking tot rente is in dat geval niet meer mogelijk. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger). De gevorderde wettelijke rente wordt daarom afgewezen.
2.13.
Eisende partij vordert een vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Zij heeft in artikel 21 van de Keurmerkvoorwaarden een beding staan dat zij aan deze vordering ten grondslag kan leggen, zodat dit beding moet worden getoetst op oneerlijkheid. Het beding is getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat het verwijst naar en aansluit bij de wettelijke regeling, die van dwingend recht is.
2.14.
De brief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het tarief dat volgt uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zodat de incassokosten toewijsbaar zijn.
2.15.
De betaling van € 700,00 zal in mindering strekken op de buitengerechtelijke kosten, waardoor € 244,72 aan buitengerechtelijke kosten resteert.
2.16.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
406,00
(1 punt × € 406,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.055,28

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 17.856,38 aan hoofdsom en € 244,72 aan buitengerechtelijke kosten,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 2.055,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.
991