ECLI:NL:RBAMS:2025:8773

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
11918672
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:613 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Leaseauto als ongewijzigde arbeidsvoorwaarde bevestigd in kort geding

Werknemer is sinds 1999 in dienst bij werkgever en heeft sinds 1999 onafgebroken een leaseauto gehad, die hij ook privé mocht gebruiken. Toen werknemer in 2025 een nieuwe leaseauto wilde bestellen, werd hem dit geweigerd en moest hij zijn leaseauto inleveren.

Werknemer vordert in kort geding dat werkgever hem binnen 48 uur een vergelijkbare leaseauto met tankpas ter beschikking stelt, voor de duur van vijf jaar, en dat hij een schadevergoeding ontvangt voor het gemis van de auto. Werkgever stelt dat het gebruik van de leaseauto gebaseerd is op een regeling die in de loop der jaren is versoberd en dat werknemer sinds 2019 niet meer aan de voorwaarden voldoet.

De kantonrechter stelt vast dat het recht op de leaseauto niet expliciet in de arbeidsovereenkomst is vastgelegd, maar dat uit de langdurige gedragslijn en het feit dat werknemer meer dan 25 jaar onafgebroken een leaseauto had, kan worden geconcludeerd dat het een arbeidsvoorwaarde betreft. Er is onvoldoende gebleken dat werknemer heeft ingestemd met een voorwaardelijke regeling of dat sprake is van een eenzijdige wijziging.

De kantonrechter veroordeelt werkgever om binnen 48 uur een leaseauto vergelijkbaar met de laatst geleasede Skoda Octavia te verstrekken, inclusief tankpas, en om werknemer een poolauto of leasecompensatie te geven totdat de nieuwe auto beschikbaar is. Proceskosten worden aan werkgever opgelegd. De vordering tot schadevergoeding voor de afgelopen maanden wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld om werknemer binnen 48 uur een vergelijkbare leaseauto met tankpas ter beschikking te stellen en proceskosten te betalen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11918672 \ KK EXPL 25-698
Vonnis van 19 november 2025 in kort geding
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: werknemer,
gemachtigde: mr. M.H. Godthelp,
tegen
IBM NEDERLAND B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: werkgever,
gemachtigde: mr. M.P.J. Meijer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 14 oktober 2025 met producties. Door werkgever zijn producties in het geding gebracht. Op de mondelinge behandeling is werknemer met zijn gemachtigde verschenen. Namens werkgever zijn verschenen de heren [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde en mr. P.G. Vestering. Partijen hebben beiden aan de hand van pleitaantekeningen hun verhaal gedaan. Ook zijn er zittingsaantekeningen gemaakt. Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Werknemer is sinds 1 maart 1999 in dienst bij werkgever, momenteel in de functie van Security Consultant. Hij heeft sinds 22 juli 1999 de beschikking over een leaseauto. Elke vijf jaar was er de mogelijkheid om een leaseauto te bestellen via een portal. Dit heeft hij ook voortdurend gedaan.
2.2.
Werknemer heeft altijd voor het merendeel privé gereden met de leaseauto. Toen werknemer in 2025 een nieuwe leaseauto wilde bestellen is hem te verstaan gegeven dat hij geen recht heeft op een leaseauto. Werknemer heeft zijn leaseauto ingeleverd.

3.Het geschil

3.1.
Werknemer vordert, bij wijze van voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, dat de kantonrechter:
Primair
I. werkgever veroordeelt om werknemer binnen 48 uur na het wijzen van dit vonnis in staat te stellen een leaseauto vergelijkbaar aan het laatstelijk geleasede Skoda model Octavia met een fiscale waarde van (gecorrigeerd met inflatie
€ 40.000,-) te laten bestellen en te laten gebruiken in overeenstemming met uit het verleden blijkende en tussen partijen bestaande bestendige praktijk voor de duur van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis, inclusief tankpas, op straffe van een verschuldigde dwangsom van een bedrag van € 5.000,- ineens te verhogen met een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte van een dag werkgever in verzuim is met voldoening van het in dezen te wijzen vonnis;
II. werkgever veroordeelt werknemer vanaf 1 augustus 2025 te compenseren (met verrekening van hetgeen reeds is betaald) als (vervangende) schadevergoeding voor het gemis van een leaseauto ter grootte van € 793,52 netto per maand tot het moment dat de nog te bestellen auto is afgeleverd en gebruikt kan worden, althans tot het moment werknemer kan beschikken over een vervangende poolauto met een vergelijkbare fiscale bijtelling als voor de ingeleverde Skoda Octavia tot het moment dat de bestelde leaseauto is geleverd en door werknemer in gebruik is genomen;
Subsidiair
III werkgever veroordeelt tot betaling van een bedrag als (vervangende) schadevergoeding van € 793,52 netto per maand vanaf 1 augustus 2025 ter compensatie van het gemis van de leaseauto;
Primair en subsidiair
IV met veroordeling van werkgever in de proceskosten.
3.2.
Werknemer stelt hiertoe dat de leaseauto een arbeidsvoorwaarde is die niet eenzijdig is gewijzigd en ook niet eenzijdig gewijzigd kan worden. Volgens werkgever is het gebruik van de leaseauto niet gebaseerd op een arbeidsvoorwaarde maar op een leaseautoregeling. Deze regeling is de afgelopen 15 jaren drastisch versoberd. Hierover heeft werkgever gecommuniceerd, ook met elke werknemer. De ambulant status van werknemer is in het verleden weggevallen. Omdat werknemer in aanmerking kwam voor het GPD excellence award program (een soort bonusregeling) kwam hij toch nog in aanmerking voor een leaseauto. In 2019 is deze bonusregeling weggevallen. Sinds 2019 voldeed werknemer dus niet meer aan de voorwaarden. Abusievelijk, een gevolg van het niet up to date zijn het bestelsysteem van de leasemaatschappij, heeft werknemer toch nog een leaseauto kunnen bestellen in 2020.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang volgt al uit het feit dat werknemer zich op het standpunt stelt de hem toekomende arbeidsvoorwaarde niet meer ter beschikking krijgt. Dat hem door werkgever is aangeboden dat hij voor een bepaalde tijd een auto uit de autopool kan krijgen maakt dit niet anders. Dit geldt temeer nu dit voorstel lijkt te zijn gedaan onder de voorwaarde dat werknemer zijn aanspraken laat varen.
Arbeidsvoorwaarde
4.2.
De vraag die in essentie voorligt is of het recht op een leaseauto kwalificeert als een arbeidsvoorwaarde of als een regeling. In het geval sprake is van een (onvoorwaardelijke) arbeidsvoorwaarde moet door werkgever voldaan worden aan strenge voorwaarden voor eenzijdige wijziging. De wet kent geen definitie van het begrip arbeidsvoorwaarde. In algemene zin is een arbeidsvoorwaarde een voorwaarde op basis waarvan de werknemer bereid is om arbeid te verrichten. De vraag of het recht op een leaseauto kwalificeert als een arbeidsvoorwaarde kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord. Dit zal vastgesteld moeten worden aan de hand van de vraag wat partijen overeen zijn gekomen.
4.3.
In onderhavige zaak is tussen werkgever en werknemer niet het recht op een leaseauto expliciet overeengekomen. Er staat niets over in de arbeidsovereenkomst, evenmin is gebleken van andere overeenkomsten of regelingen waarin is vastgelegd dat de leaseauto een arbeidsvoorwaarde is. Het is dan nog steeds mogelijk dat uit een gedragslijn van de werkgever een de arbeidsovereenkomst aanvullende arbeidsvoorwaarde volgt. Voor de beoordeling daarvan komt het aan op de zin die partijen aan elkaars gedragingen (en in verband daarmee staande verklaringen) hebben toegekend en in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen. In dit verband komt betekenis toe aan gezichtspunten als (i) de inhoud van de gedragslijn, (ii) de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie die de werkgever en de werknemer jegens elkaar innemen, (iii) de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd, (iv) hetgeen de werkgever en de werknemer in verband met deze gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard of juist niet hebben verklaard, (v) de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien, en (vi) de aard en de omvang van de kring van werknemers jegens wie de gedragslijn is gevolgd. [1]
4.4.
Deze leaseauto is zeer kort na indiensttreding ter beschikking van werknemer gesteld. Vanaf het begin mocht deze auto ongeclausuleerd door werknemer ook privé gebruikt worden. Ook is werknemer een tankpas ter beschikking gesteld die hij ook privé mag gebruiken. De leaseperiode is voortdurend, vijf keer, verlengd en de werknemer heeft dus meer dan 25 jaar voortdurend een leaseauto tot zijn beschikking gehad. Werknemer heeft een groot financieel belang bij het recht op een leaseauto, ook omdat hij gedurende lange tijd geen eigen auto hoefde aan te schaffen en te onderhouden. De aard en de duur van dit belang weegt voor de kantonrechter zwaar mee.
4.5.
Bij in ieder geval de eerste drie termijnen van 5 jaar is nooit met werknemer besproken of hij nog voor een leaseauto in aanmerking kwam. Het is dus begrijpelijk dat werknemer de auto als ‘loon’ beschouwde, die verlenging vond immers vanuit zijn perspectief automatisch plaats. Al op grond hiervan heeft hij er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat hij in beginsel (zolang zich niet de situatie voordoet dat van hem kan worden gevergd dat deze akkoord gaat met beëindiging van de terbeschikkingstelling) gedurende de resterende tijd van de arbeidsovereenkomst recht zouden hebben op een leaseauto.
4.6.
Dat werknemer onder de aandacht is gebracht dat het hier gaat om een (voorwaardelijke) regeling, zoals werkgever stelt, is de kantonrechter niet gebleken. Wel is het zo dat werknemer bij het bestellen van een leaseauto een vinkje heeft moeten zetten bij een korte tekst. Dat in die tekst is opgenomen dat “
Door op BEVESTIGEN ORDER te klikken, verklaart u zich bekend en akkoord met de [naam werkgever] autoregeling en de getoonde eigen bijdrage” maakt nog niet dat het werknemer duidelijk moet zijn om welke regeling dit gaat en dat het hier niet gaat om een arbeidsvoorwaarde. Dit wordt niet anders door het feit dat ergens op het intranet een regeling omtrent de leaseauto te vinden is. Dat er in 2010 gecommuniceerd is binnen het bedrijf over een nieuwe Ambulant- en autoleaseregeling maakt evenmin dat werknemer heeft moeten begrijpen dat hij zijn leaseauto ter beschikking heeft gekregen op basis van een regeling die gekoppeld is aan de voorwaarde dat hij ambulant blijft. Niet is gebleken dat over deze regeling direct met werknemer is gecommuniceerd. Werknemer heeft toegelicht dat hij wel heeft meegekregen dat er iets was rondom een regeling omtrent leaseauto’s maar hij meende dat dit niet op hem van toepassing was. Vooralsnog kan niet worden aangenomen dat werknemer kennis heeft genomen van deze wijziging.
4.7.
Het verdient overigens opmerking dat in voornoemde communicatie uit 2010 is opgenomen dat er een leasecompensatie wordt aangeboden aan alle werknemers die hierdoor negatief worden getroffen. Van zo een vergoeding zal niet snel sprake zijn als de leaseauto ter beschikking zou zijn gesteld op grond van een regeling die werkgever eenzijdig op elk moment kon eindigen.
Geen voorwaardelijke arbeidsvoorwaarde
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat vooralsnog er vanuit gegaan moet worden dat sprake is van een arbeidsvoorwaarde. Een dergelijk recht kan ook voorwaardelijk overeen zijn gekomen. Daarvan is echter onvoldoende gebleken. Nergens blijkt uit dat werknemer ingestemd heeft met een voorwaardelijke voorwaarde. De algemene verwijzing naar ‘autoregelingen’ bij het plaatsen van een vinkje bij het bestellen van een leaseauto kan niet als zodanig worden beschouwd, temeer nu kennelijk sprake is van wijzigende regelingen. Verder is het goed denkbaar dat al voor 2010, een onvoorwaardelijke arbeidsvoorwaarde is ontstaan. Er is dan al immers twee keer zonder enige terughoudendheid een leaseauto ter beschikking gesteld van werknemer. Pas naar aanleiding van de correspondentie in 2017 (productie 14 tot en met 16 bij dagvaarding) zou kunnen worden aangenomen dat werknemer bekend is geworden met de gestelde voorwaardelijkheid. Dit is ongeveer 17 jaar nadat werknemer voortdurend in een leaseauto heeft gereden. Aangenomen kan worden dat in ieder geval toen al een recht op een leaseauto bestond.
Geen eenzijdige wijziging
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat er vanuit gegaan moet worden dat sprake is van een arbeidsvoorwaarde. De kantonrechter is bekend met de leerstukken rondom het eenzijdig wijzigingsbeding ex art. 7:613 BW Pro en/of de norm van goed werknemerschap ex art. 7:611 BW Pro. Waar dit alles, kort gezegd, op neerkomt, is dat een belangenafweging moet worden gemaakt. Het belang van werkgever dient zodanig zwaarwichtig te zijn dat het belang van de werknemer daarvoor dient te wijken. Een en ander behoeft echter in het kader van deze procedure geen uitgebreide bespreking. Werknemer heeft onderbouwd naar voren gebracht dat van een eenzijdige wijziging geen sprake kan zijn. Hiertegen is door werkgever niet, althans onvoldoende, op gereageerd. In algemene zin is wel gesproken over versobering van de leaseregeling. Dit is echter onvoldoende uitgewerkt om gewicht in de schaal te leggen. Het is dan al ten overvloede dat wordt overwogen dat het belang van het privégebruik van de leaseauto zwaar weegt. Hierdoor hoeft geen auto in privé aangeschaft te worden en hoeven geen verzekeringen, apk-keuringen en onderhoudskosten. In onderhavig geval worden zelfs de brandstofkosten van de privékilometers betaald. Dit zijn zwaarwegende (financiële) belangen aan de zijde van de werknemer. Hierbij geldt in casu te meer dat werknemer heeft aangevoerd dat zijn loon bescheiden is en de leaseauto een significant deel uitmaakt van zijn beloning. Het bestaan van een eenzijdig wijzigingsrecht kan dan voorshands ook niet worden aangenomen.
Conclusie
4.10.
Kortom, voorshands moet worden aangenomen dat het recht op een leaseauto voor werknemer een arbeidsvoorwaarde is waarvan niet kan worden aangenomen dat sprake is van een (eenzijdige) wijziging. Werknemer dient onmiddellijk weer de beschikking te krijgen over een leaseauto en een tankpas, vergelijkbaar met wat hij de afgelopen jaren heeft gereden. De kosten hiervan dienen door werkgever te worden gedragen. Werkgever heeft zich verder niet verzet tegen de wijze waarop de vordering is vormgegeven. Wel moet bedacht worden dat hier gaat om een ordemaatregel welke blijft gelden totdat sprake is van een definitieve afdoening. Daarvan kan ook sprake zijn eerder dan over vijf jaar na heden. De primair gevorderde voorlopige voorziening wordt daarom als volgt toegewezen.
4.11.
Werknemer dient verder op zijn eerste verzoek onmiddellijk een poolauto ter beschikking te worden gesteld totdat hij kan beschikken over zijn leaseauto. Voor toewijzing van de gevorderde schadevergoeding voor de afgelopen maanden ziet de kantonrechter geen aanleiding. Er is na het innemen van de leaseauto al maandelijks aan werknemer een lease compensatiebedrag betaald van € 440,00 bruto. Of de omvang van de schade hoger is kan de kantonrechter voorshands niet met voldoende zekerheid vaststellen.
4.12.
Nu werkgever heeft aangegeven zich aan het te wijzen vonnis te houden, wordt geen aanleiding gezien voor de oplegging van een dwangsom.
4.13.
Werkgever is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van werknemer worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening)
Totaal
1.119,54

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt werkgever om werknemer binnen 48 uur na het wijzen van dit vonnis in staat te stellen een leaseauto vergelijkbaar aan het laatstelijk geleasede Skoda model Octavia met een fiscale waarde van (gecorrigeerd met inflatie € 40.000,-) te laten bestellen en te laten gebruiken in overeenstemming met uit het verleden blijkende en tussen partijen bestaande bestendige praktijk, voor de duur van maximaal vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van dit vonnis, inclusief tankpas,
5.2.
veroordeelt werkgever om werknemer onmiddellijk een, naar keuze van werknemer, leasecompensatie van € 440,00 bruto per maand, dan wel een poolauto met vergelijkbare fiscale bijtelling als voor de ingeleverde Skoda Octavia ter beschikking te stellen, tot het moment werknemer daadwerkelijk kan beschikken over de bestelde leaseauto,
5.3.
veroordeelt werkgever in de proceskosten van € 1.119,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als werkgever niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.
734

Voetnoten

1.HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976 (FNV/Pontmeyer).