ECLI:NL:RBAMS:2025:8279
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belanghebbendheid eigenaar aangrenzend perceel en dwangsom niet tijdig beslissen
De zaak betreft een bezwaar van eiser tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan een vergunninghouder voor bouwkundige wijzigingen op een aangrenzend perceel. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiser geen belanghebbende zou zijn. De rechtbank oordeelt echter dat eiser als eigenaar van een aangrenzend perceel in beginsel belanghebbende is, zeker gezien de feitelijke gevolgen zoals wijzigingen aan een gemeenschappelijke muur die al tot scheurvorming hebben geleid.
Daarnaast stelde eiser het college in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Het college wees een dwangsom af met het argument dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was. Nu de rechtbank het bezwaar wel ontvankelijk verklaart, vervalt deze grondslag. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van €637,- moet betalen voor de periode van 23 april tot 16 mei 2025.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het dwangsombesluit en draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet het college het griffierecht van €194,- aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter C.M. Delstra op 5 november 2025.
Uitkomst: Het college moet eiser als belanghebbende erkennen, een nieuw besluit nemen en een dwangsom van €637,- betalen wegens niet tijdig beslissen.