5.2Verstrijking van de tenuitvoerleggingstermijn
De rechtbank stelt vast dat gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander ertoe leidt dat naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend ten aanzien van het feit waarvoor de opgeëiste persoon in het vonnis van 25 oktober 2012 is veroordeeld.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, onder f, OLW moet worden geweigerd, omdat de termijn voor tenuitvoerlegging van de straf naar Nederlands recht is verjaard. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgrond van artikel 2.13, eerste lid, aanhef en onder g), Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS), die ziet op verjaring, in de weg staat aan overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. De raadsvrouw ziet geen reden om af te zien van de weigeringsgrond van verjaring omdat er al geruime tijd is verstreken sinds het moment van verjaring, het gaat om een oud feit van meer dan dertien jaar geleden, de opgeëiste persoon sinds 2009 ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) en hij in Nederland niet voor soortgelijke delicten in aanraking is gekomen met justitie.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank– op het standpunt dat de straf overgenomen moet worden. Weliswaar is de termijn voor tenuitvoerlegging van de straf naar Nederlands recht is verjaard, maar moet er worden afgezien van deze weigeringsgrond. Allereerst moet voorkomen worden dat sprake is van straffeloosheid. Verder is de tenuitvoerleggingstermijn sinds 2021, en daarmee relatief kortgeleden, verjaard en uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de straf. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon belang bij de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rekening houdend met het feit dat de straf in Polen of in een andere lidstaat, nog steeds ten uitvoer kan worden gelegd wanneer de rechtbank de overlevering weigert.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft onder punt 4 vastgesteld dat de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld voor het plegen van een eenvoudige belediging terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Op grond van artikel 70, eerste lid en onder 2°, Wetboek van Strafrecht (Sr) geldt hiervoor een verjaringstermijn van zes jaar. In artikel 6:1:22, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) staat dat de tenuitvoerleggingstermijn een derde langer is dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering. Dat betekent dat de tenuitvoerleggingstermijn voor dit feit na acht jaar verjaart.
De rechtbank stelt vast dat gekeken moet worden naar de verjaring van de beslissing van 21 februari 2013 waarmee de vrijheidsbeperkende werkstraf is vervangen door een vrijheidsbenemende straf . Op grond van artikel 6:1:23 Sv is de verjaringstermijn aangevangen op de eerste dag nadat het vonnis onherroepelijk is geworden. Ervan uitgaande dat dit in 2013 is gebeurd, is de tenuitvoerleggingstermijn in 2021 verjaard. Dit betekent dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW van toepassing is. Hetzelfde geldt voor de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a OLW juncto artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder g, WETS bedoelde facultatieve weigeringsgrond.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van voornoemde weigeringsgrond. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat sprake is van een oud feit (gepleegd in 2012) van relatief geringe ernst, terwijl de opgeëiste persoon al meer dan tien jaar in de BRP geregistreerd staat en in Nederland verblijft en hier zijn leven heeft opgebouwd met zijn vrouw en kinderen. Bovendien heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij zich realiseert wat de consequenties zijn van een weigering op deze grond, maar dat hij (ondanks de consequenties) de rechtbank verzoekt om de weigeringsgrond toe te passen.
De rechtbank komt echter pas toe aan een definitief oordeel over de weigeringsgrond van artikel 6a OLW wanneer zij over de aanvullende informatie beschikt die nodig is om te kunnen oordelen over de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, zoals onder 3 is overwogen. De mogelijkheid bestaat immers dat die informatie ertoe leidt dat de overlevering wordt geweigerd op grond van artikel 12 OLW.