ECLI:NL:RBAMS:2025:8160
Rechtbank Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken doorbrekingsgrond tegen beslissing gerechtsdeurwaarderskamer
Klaagster heeft bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders een klacht ingediend tegen een gerechtsdeurwaarder, welke klacht door de kamer kennelijk ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde zij verzet in, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde klaagster hoger beroep in tegen deze beslissing van de kamer.
Het hof beoordeelt de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de hand van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet, dat bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet geen hoger beroep openstaat, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden waarbij fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden.
Klaagster voerde inhoudelijke bezwaren aan over het beslag en de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder, waaronder het niet in acht nemen van de beslagvrije voet en vermeende strijd met internationale rechten. Het hof oordeelt dat deze bezwaren niet leiden tot een doorbrekingsgrond van het rechtsmiddelenverbod, omdat zij niet wijzen op een fundamentele schending van rechtsbeginselen die een eerlijke en onpartijdige behandeling onmogelijk maken.
Daarom verklaart het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. De procedure werd behandeld op 25 september 2025, waarbij klaagster per videoverbinding verscheen en de gerechtsdeurwaarder niet. Het vonnis werd uitgesproken op 4 november 2025 door de rolraadsheer namens het hof.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van klaagster niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een doorbrekingsgrond van het rechtsmiddelenverbod.