Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:8055

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
11172874 \ CV EXPL 24-7690
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 18.2 huurovereenkomstArtikel 237 RvRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering huurprijsverhoging wegens onvoldoende onderbouwing en proceskostenveroordeling

In deze huurzaak heeft eiseres meerdere malen geprobeerd de huurprijsverhoging te onderbouwen met berekeningen gebaseerd op het Consumentenprijsindexcijfer (CPI). Hoewel eiseres het juiste basisjaar gebruikte en stelde dat de verhogingen binnen de toegestane grenzen vielen, bleken haar berekeningen onjuist en onbegrijpelijk.

De kantonrechter stelde vast dat eiseres bij de berekening van de CPI-stijging uitging van een hogere kale huurprijs dan correct was, en dat zij niet per jaar de indexatiepercentages afzonderlijk had toegepast zoals vereist. Ondanks een eerdere gelegenheid om de berekeningen te corrigeren, voldeed eiseres niet aan haar stelplicht, waardoor de vordering tot betaling van huurprijsverhoging werd afgewezen.

Wel werd eerder de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de parkeerplaats toegewezen, evenals een vordering tot betaling van huurachterstand gebaseerd op de aanvangshuurprijs. De kantonrechter oordeelde ook dat een proceskostenbeding in de huurovereenkomst oneerlijk is, maar veroordeelde de gedaagde partij toch in de proceskosten conform het liquidatietarief, mede vanwege lopende prejudiciële vragen bij het HvJEU.

De proceskosten werden vastgesteld op een totaalbedrag van € 667,22 inclusief BTW en kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen. Het vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en op 28 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vordering tot huurprijsverhoging wordt afgewezen en de gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
fno: 33623
Zaaknummer: 11172874 \ CV EXPL 24-7690

Vonnis van 28 oktober 2025

in de zaak van

ST JUR EIG CERTITUDO AMSTERDAM CITY II,

gevestigd te 's Hertogenbosch,
eisende partij,
gemachtigde: mr. E.L.B. Hundscheidt,
tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

Verder verloop van de procedure

Op 2 september 2025 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij een akte ingediend.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Beoordeling

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
1. Eiseres is nog éénmaal in de gelegenheid gesteld haar vordering toe te lichten en rekenkundig te onderbouwen.
2. Eiseres heeft opnieuw uitdraaien van het CBS ten aanzien van indexering in het geding gebracht. Eiseres heeft nu het juiste basisjaar (2015 = 100) gebruikt. Eiseres blijft bij haar conclusie dat de huurprijsverhogingen binnen de maximale huurverhoging vallen die conform het CPI in rekening gebracht hadden mogen worden.
3. De tweede alinea van punt 2 van de akte van eiseres is begrijpelijk. Eiseres heeft daarin gemotiveerd toegelicht dat de huurprijs per 1 juli 2022 volgens de CPI mocht stijgen tot een bedrag van € 137,88 per maand en dat zij de huurprijs slechts heeft verhoogd tot een bedrag van € 127,87.
4. De derde alinea van punt 2 van de akte van eiseres is echter wederom onbegrijpelijk. Eiseres gaat hier bij de berekening van de CPI-stijging uit van een kale huurprijs per maand van € 137,88. Dat klopt niet, want de kale huurprijs bedroeg slechts € 127,87 zoals eiseres zelf heeft toegelicht (zie hiervoor onder rov 3.).
5. Het lijkt erop dat eiseres heeft doorgerekend met het maximaal toelaatbare CPI-percentage (dat bedroeg per 1 juli 2022 immers € 137,88), in plaats van dat zij voor iedere jaarlijkse huurprijsverhoging los heeft berekend of er een opslag is toegepast bij die verhoging. Dat is niet de bedoeling. Reeds in het tussenvonnis van 20 mei 2025 is dat aangegeven en is eiseres in de gelegenheid gesteld een berekening over te leggen waarbij de aanvangshuurprijs steeds is verhoogd met alleen de per jaar geldende indexatiepercentages,
voor zover die in rekening zijn gebracht.
6. Nu eiseres tot tweemaal toe onjuiste berekeningen in het geding heeft gebracht, zal de kantonrechter de (na het tussenvonnis nog resterende) vordering tot betaling van huurachterstand van eiseres afwijzen, nu eiseres niet heeft voldaan aan haar stelplicht.
7. Bij tussenvonnis van 1 oktober 2024 is de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de parkeerplaats, alsmede een vordering tot betaling van huurachterstand (gebaseerd op de aanvangshuurprijs) toegewezen. Daarmee is eiseres in deze procedure, ondanks de afwijzing van de vordering tot betaling van huurprijsverhoging, grotendeels in het gelijk gesteld. Ten aanzien van de proceskosten wordt het volgende opgemerkt.
8. Artikel 18.2 van de huurovereenkomst is oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv Pro kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.

BESLISSING

De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 136,72 aan explootkosten, € 135,00 aan salaris gemachtigde, € 328,00 aan griffierecht en € 67,50 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.