ECLI:NL:RBAMS:2025:7772
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen artiest tegen platenmaatschappij over streamingroyalty’s en fonogrammenrechten
De artiest [eiser] vorderde dat platenmaatschappij Universal de royaltyvergoedingen voor streaming en downloads zou aanpassen naar een 50% verdeling van de inkomsten, stellende dat de huidige tarieven onredelijk en onaanvaardbaar zijn. Tevens stelde hij dat hij mede-fonogrammenproducent is van het eerste album van zijn band en dat Universal niet over de bijbehorende rechten beschikt.
De rechtbank oordeelde dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij fonogrammenproducent is, aangezien Universal als producent op het album staat vermeld en de financiële verantwoordelijkheid voor het album bij Universal lag. Daarnaast werd geoordeeld dat streaming onder het contract valt als elektronische muziekdistributie en dat Universal de contractuele bepalingen juist toepast.
De rechtbank vond de tarieven voor streaming zowel voor als na 1 april 2024 niet onredelijk bezwarend of onaanvaardbaar volgens de relevante wetsartikelen en het contract. Ook de eenzijdige verhoging van de tarieven door Universal werd niet als onrechtmatig beoordeeld. De vorderingen tot wijziging of vernietiging van de royaltybepalingen en tot schadevergoeding werden afgewezen.
Tot slot werd [eiser] veroordeeld in de proceskosten van Universal, die op basis van het normale tarief werden vastgesteld. De rechtbank deed geen principe-uitspraak over de algemene praktijk van streamingroyalty’s in de muziekindustrie, maar beperkte zich tot de individuele contractuele verhoudingen.
Uitkomst: De rechtbank wijst alle vorderingen van de artiest af en veroordeelt hem in de proceskosten van Universal.