Eiseres is door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verplicht gesteld €14.777,16 terug te betalen wegens te veel ontvangen bijstand over de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024. Zij betwist de terugvordering en voert aan dat de gezamenlijke huishouding met haar partner pas op 23 september 2024 is aangevangen, waardoor het terugvorderingsbedrag te hoog zou zijn.
De rechtbank overweegt dat het intrekkingsbesluit van het recht op bijstand formele rechtskracht heeft en dat de feitelijke en juridische oordelen die aan dat besluit ten grondslag liggen, waaronder de datum van intrekking, wel ter beoordeling staan in deze procedure. Eiseres erkent het samenwonen maar stelt dat haar verklaring over de ingangsdatum onbetrouwbaar is vanwege psychische kwetsbaarheid en taalproblemen.
De rechtbank acht de verklaring van eiseres, afgelegd tijdens een huisbezoek op 7 januari 2025, betrouwbaar omdat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat zij destijds niet in staat was een verklaring af te leggen. Ook ontbreken concrete feiten die de latere datum van samenwonen ondersteunen. Het college heeft daarom terecht de datum van 1 januari 2024 als aanvang van de gezamenlijke huishouding vastgesteld en de te veel betaalde bijstand vanaf die datum teruggevorderd.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiseres krijgt geen terugbetaling van griffierecht en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M.H. van Haeften op 23 september 2025.