In deze zaak staat centraal of een oude huurschuld van €8.927,14 rechtsgeldig is overgedragen (gecedeerd) aan de eiser door de vorige verhuurder, een stichting die inmiddels is ontbonden. De eiser stelt dat de vordering via cessie aan hem is geleverd, maar de gedaagde betwist deze cessie vanwege onduidelijkheden in de akte en de betrokken partijen.
De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis waarin de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming zijn behandeld en stelt dat de cessie eerst rechtsgeldig moet zijn om tot beoordeling van het verrekenverweer te komen. De eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd dat de cessie van de oude huurschuld rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, mede omdat de akte van cessie niet tussen de juiste partijen is overlegd en de ontbinding van de stichting pas na de datum van de cessie plaatsvond.
Daarom wordt de vordering afgewezen en komt de kantonrechter niet toe aan het verrekenverweer van de gedaagde. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van de eiser, terwijl de proceskosten in het incident worden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.