ECLI:NL:RBAMS:2025:7309

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
6 oktober 2025
Zaaknummer
C/13/767278 / HA ZA 25-914
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring van vordering uit hoofde van hypotheeklastenverzekering en proceskostenveroordeling

In deze zaak heeft [eiser] sinds 2002 een hypotheeklastenverzekering afgesloten bij de rechtsvoorganger van Assurant Europe Insurance N.V. Toen [eiser] in 2009 arbeidsongeschikt raakte, was zij zich niet bewust van de verzekering en heeft zij geen aanspraak gemaakt op een uitkering. Pas in 2021 heeft zij dit alsnog gedaan, maar Assurant weigerde uit te keren omdat de vordering volgens hen was verjaard. De rechtbank oordeelt dat [eiser] zich niet kan beroepen op het feit dat zij de verzekering was vergeten. De rechtbank stelt vast dat [eiser] na één ziektejaar recht had op een uitkering en dat de verjaringstermijn van drie jaar is gaan lopen. Aangezien [eiser] pas in 2021 aanspraak maakte op de uitkering, was de vordering verjaard. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af en veroordeelt haar in de proceskosten, die zijn begroot op € 2.606,00. De rechtbank concludeert dat Assurant niet hoeft te betalen, omdat de vordering van [eiser] is verjaard en er geen sprake is van een onrechtmatige daad.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/767278 / HA ZA 25-914
Vonnis van 8 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P. Bosma,
tegen
ASSURANT EUROPE INSURANCE N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Assurant,
advocaat: mr. M.F. Benningen.

1.Waar gaat deze zaak over?

[eiser] heeft sinds 2002 een hypotheeklastenverzekering bij (de rechtsvoorganger van) Assurant. Omdat zij was vergeten dat zij deze verzekering had afgesloten, heeft zij geen aanspraak gemaakt op een uitkering toen zij in 2009 arbeidsongeschikt raakte. In 2021 heeft zij dat alsnog gedaan. Assurant vindt dat zij niet hoeft uit te keren, omdat de vordering is verjaard. [eiser] eist in deze procedure dat Assurant uitkeert.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] zich er niet op kan beroepen dat zij was vergeten dat zij een verzekering had afgesloten. Toen [eiser] arbeidsongeschikt raakte had uit een eenvoudig onderzoek bij haar duidelijk kunnen worden dat zij na één ziektejaar een vordering had op Assurant. Na dat jaar is de verjaringstermijn van drie jaar gaan lopen. De vordering was dus in 2021 verjaard en daarom hoeft Assurant niet te betalen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 mei 2025
- het proces-verbaal en de spreekaantekeningen van de mondelinge behandeling van 18 augustus 2025.
2.2.
Daarna is een datum voor het vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] heeft met ingang van 1 juni 2002 een hypotheeklastenverzekering afgesloten bij de rechtsvoorganger van Assurant. Zij heeft de verzekering afgesloten via een tussenpersoon, SNS Bank. De verzekering was bedoeld om de lasten van een bij SNS Bank op 6 juni 2000 afgesloten hypothecaire lening te dragen in het geval [eiser] arbeidsongeschikt zou raken.
3.2.
Op 15 december 2009 is [eiser] arbeidsongeschikt geraakt. Op dat moment was zij vergeten dat zij de verzekering had afgesloten.
3.3.
Begin 2021 is bij [eiser] weer bekend geworden dat zij een verzekering had afgesloten. Op 31 mei 2021 heeft Assurant een schadeaangifteformulier van [eiser] ontvangen, waarin [eiser] heeft gemeld dat zij arbeidsongeschikt is en aanspraak maakt op uitkering onder de verzekering.
3.4.
Assurant heeft aan [eiser] bericht dat een groot deel van de termijnen van de uitkering op dat moment was verjaard. Elf termijnen van in totaal € 9.878,00 waren volgens Assurant niet verjaard en die heeft zij op 29 december 2021 aan [eiser] uitgekeerd.
3.5.
Nadien hebben namens [eiser] haar tussenpersoon SNS Bank, een eerdere advocaat en mr. Bosma Assurant verzocht alsnog de overige termijnen uit te keren. Assurant heeft haar standpunt dat de vordering is verjaard herhaald en is niet tot uitkering overgegaan.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank Assurant veroordeelt aan [eiser] met ingang van 16 september 2010 het overeengekomen maandbedrag van € 898,00 uit te keren voor een periode van 120 maanden, te vermeerderen met de wettelijke rente en verminderd met het al uitgekeerde bedrag van € 9.878,00. Ook vordert [eiser] dat Assurant de kosten van deze procedure betaalt.
4.2.
Volgens [eiser] is Assurant tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst doordat Assurant de resterende termijnen niet heeft uitgekeerd. Ook handelt Assurant onrechtmatig jegens [eiser] door niet uit te keren.
4.3.
Assurant voert verweer. Zij vindt dat de rechtbank de vordering van [eiser] moet afwijzen. Volgens Assurant heeft zij aan haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst voldaan door elf maandbedragen uit te keren. [eiser] heeft geen recht op andere uitkeringen, omdat de termijnen waarop zij aanspraak maakt zijn verjaard. Ook is [eiser] deze procedure niet gestart binnen een jaar nadat Assurant geweigerd heeft uit te keren. Daarom kan zij geen rechten meer ontlenen aan de verzekeringsovereenkomst. In ieder geval heeft [eiser] onder de voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst geen recht op een uitkering van meer dan 100 maanden of een bedrag van meer dan € 100.000,00, aldus Assurant.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] te laat aan Assurant heeft gevraagd uit te keren onder de verzekering. De vordering is daarom verjaard en Assurant hoeft niet te betalen. [eiser] heeft ook onvoldoende toegelicht dat sprake is van een onrechtmatige daad. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] dan ook af en zal dat hierna verder uitleggen.
De vordering van [eiser] is verjaard
5.2.
De hypotheeklastenverzekering die partijen hebben gesloten is een verzekeringsovereenkomst. Een vordering op een verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart drie jaar nadat de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Dit volgt uit artikel 7:942 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (“BW”). De verjaringstermijn gaat dus lopen als (i) de uitkering opeisbaar is en (ii) de tot uitkering gerechtigde daadwerkelijk (subjectief) met die opeisbaarheid bekend is. Dit laatste vereiste moet onder omstandigheden worden genuanceerd. Uit de rechtspraak volgt dat van een tot uitkering gerechtigde een zeker onderzoek mag worden verlangd om vast te stellen of hij een vordering heeft op de verzekeraar (zie Hof Amsterdam 15 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1479). Het verdraagt zich moeilijk met de rechtszekerheid en de redelijkheid en billijkheid dat een tot uitkering gerechtigde door na te laten een eenvoudig onderzoek uit te voeren, zou kunnen voorkomen dat de verjaringstermijn van artikel 7:942 lid 1 BW gaat lopen.
5.3.
Partijen zijn het erover eens dat [eiser] op 15 december 2009 arbeidsongeschikt is geraakt. Zij zijn het er ook over eens dat [eiser] pas na het eerste ziektejaar recht had op een uitkering, zodat haar vordering tot uitkering op 15 december 2010 opeisbaar werd.
5.4.
[eiser] heeft zich pas begin 2021 herinnerd dat zij de verzekering had afgesloten. Volgens haar is zij pas toen daadwerkelijk bekend geworden met de opeisbaarheid van haar vordering, zodat op dat moment de verjaringstermijn van drie jaar is gaan lopen. De rechtbank volgt [eiser] niet in dat standpunt. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat zij toen zij de verzekering afsloot in 2002, twee jaar nadat zij het huis had gekocht en de hypothecaire lening had afgesloten, daarover goed had nagedacht. Zij had daarover met collega’s gesproken en bewust besloten de verzekering af te sluiten. [eiser] heeft toen vragen over haar gezondheid beantwoord en het polisblad ondertekend. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling ook verklaard dat zij wist wat de verzekering inhield. Verder heeft zij sinds 2002 elke maand een betaling gedaan aan SNS, die blijkens de incasso-omschrijving bestond uit “rente” en “premie”. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit mee dat [eiser] toen zij arbeidsongeschikt raakte eenvoudig op de hoogte had kunnen raken van haar aanspraak op uitkering onder de verzekering, door haar eigen administratie te controleren. Zij kan zich er in die omstandigheden niet op beroepen dat zij de verzekering was vergeten.
5.5.
[eiser] heeft nog aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden waren waardoor van haar niet kon worden verwacht dat zij in haar administratie onderzoek zou doen. Zij was ernstig ziek en ook is in die periode haar schoonzoon plotseling overleden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende toegelicht dat zij in de door haar genoemde omstandigheden niet in staat was enig onderzoek te verrichten. Daarbij geldt dat sprake is van een verzekering die uitkeert in geval van arbeidsongeschiktheid. Als ziekte op zichzelf voldoende zou zijn om de plicht tot het doen van een beperkt onderzoek te negeren, dan zou een beroep op verjaring te veel afhankelijk zijn van de vraag of een tot uitkering gerechtigde niet is vergeten dat hij een verzekering heeft gesloten.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat de verjaringstermijn van drie jaar op of kort na 15 december 2010 is gaan lopen en op of kort na 15 december 2013 is verstreken. De vordering van [eiser] was dus verjaard toen zij op 31 mei 2021 aanspraak maakte op een uitkering onder de verzekering. Assurant hoeft daarom niet te betalen.
Verval van rechten
5.7.
Assurant heeft nog aangevoerd dat [eiser] geen rechten meer kan ontlenen aan de verzekeringsovereenkomst. Assurant wijst daarbij op artikel 19 van de algemene voorwaarden bij de verzekeringsovereenkomst, waaruit volgt dat [eiser] binnen één jaar nadat Assurant had geweigerd uit te keren een procedure moest starten. Omdat de vordering is verjaard kan de vraag of [eiser] deze procedure op tijd is gestart onbeantwoord blijven.
Geen onrechtmatige daad
5.8.
[eiser] heeft aan haar vordering ook ten grondslag gelegd dat de weigering van Assurant om aan [eiser] uit te keren onrechtmatig jegens haar is. [eiser] heeft dit standpunt niet nader onderbouwd en tijdens de mondelinge behandeling is namens haar gezegd dat van een onrechtmatige daad geen sprake is. De rechtbank zal de vordering van [eiser] daarom ook op deze grond niet toewijzen.
Slotsom en proceskosten
5.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Assurant worden begroot op:
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.606,00

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.606,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Blok en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.