Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.
HB TRUCKS & EQUIPMENT B.V.,
2.
[eiser 2],
3.
[eiser 3] B.V.,
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
1. Rabobank te gebieden de bancaire relatie met eisers te continueren en de zakelijke rekeningen niet te beëindigen totdat in de bodemprocedure onherroepelijk is beslist;
2. Rabobank opdracht te geven de particuliere rekeningen van de bestuurders en betrokkenen te handhaven, althans niet te beëindigen zonder strafrechtelijke verdenking of rechterlijke uitspraak;
3. Rabobank te gebieden de registratie in het Intern Verwijzingsregister (IVR) ongedaan te maken en verwijderd te houden;
4. Rabobank te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij in strijd handelt met dit vonnis;
5. Rabobank te veroordelen in de kosten van dit geding inclusief de nakosten.
4.De beoordeling
de besloten vennootschap [eiser 3] B.V. (in combinatie met [bedrijf] B.V.)”
De voorzieningenrechter heeft op de mondelinge behandeling geoordeeld, in navolging van hetgeen Rabobank hierover heeft aangevoerd, dat [bedrijf] B.V. in dit kort geding niet als eisende partij optreedt omdat zij niet expliciet als zodanig in de dagvaarding is opgenomen.
(1) Op grond van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) heeft een bank de contractuele bevoegdheid om de relatie met een klant te beëindigen. De opzeggingsbevoegdheid van een bank en haar contractuele vrijheid zijn echter niet onbegrensd.
(2) De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (zie artikel 6:248 lid 2 BW en HR 10 oktober 2014 [1] ).
(3) Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bancaire zorgplicht (artikel 2 ABV), waarbij het belang om deel te nemen aan het betalingsverkeer voor de rekeninghouders wordt meegewogen. Daarbij moet mede worden betrokken dat het voor (rechts)personen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. Daarbij weegt zwaar mee dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren.
(4) Banken hebben op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of: misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten.
(5) Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het cliëntenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. De klant is verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de wijze waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt (artikelen 2 lid 2, 3 en 7 ABV).
deal(gedeeltelijk contant) met de Nigeriaanse overheid, een hoog risicoland omdat dit land door De Nederlandsche Bank en de Europese Unie in verband wordt gebracht met witwassen, corruptie en terrorismefinanciering. Ook heeft Rabobank navraag gedaan naar een groot aantal contante stortingen waarvan de herkomst onduidelijk was. Die stortingen zijn gedaan in coupures van € 200 en € 500 (die veelal worden gebruikt in het criminele circuit). Het totaal van de contante stortingen bedraagt € 11,8 miljoen over de laatste zeven jaar. Daarnaast is navraag gedaan naar wie de
ubo’szijn van partijen waarmee zaken worden gedaan en naar versluierde betalingen (dit zijn transacties met derden, niet zijnde afnemers of leveranciers). Rabobank heeft aan betalingen aan en door derden voorwaarden gesteld maar daar heeft HB niet aan voldaan. De antwoorden die Rabobank van HB kreeg op haar verschillende informatieverzoeken waren summier en riepen nieuwe vragen op, onder meer over de grote hoeveelheid contante betalingen. HB heeft op enig moment wel een ’Stappenplan klantenonderzoek’ opgesteld over hoe om te gaan met nieuw klanten, maar tot verbazing van Rabobank kreeg zij in maart 2025 het bericht dat HB dit stappenplan helemaal niet in gebruik had genomen en dat HB al die tijd geen cliëntenonderzoek had verricht terwijl haar toenmalige advocaat had bevestigd dat HB dit wel zou doen. Rabobank concludeert aldus dat HB onvoldoende maatregelen heeft genomen om risico’s met betrekking tot de internationale handel en het betalingsverkeer te beperken. Ondanks herhaalde waarschuwingen is er op de drie door Rabobank genoemde hoofdthema’s (het ontbreken van klantenonderzoek, de niet transparante betalingen door derde partijen en het ontbreken van inzicht in de herkomst van contante betalingen) geen gedragsverandering zichtbaar. Hierdoor ontbreekt het noodzakelijke vertrouwen voor voortzetting van de klantrelatie, aldus Rabobank.