ECLI:NL:RBAMS:2025:6737

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 september 2025
Publicatiedatum
12 september 2025
Zaaknummer
25/2245
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering na langdurige vertraging

Eiser, woonachtig in China, diende op 20 februari 2024 een aanvraag in voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering met het verzoek om erkenning van arbeidsongeschiktheid vanaf 1998. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet kon aantonen dat hij in 1998 verzekerd was, mede doordat essentiële gegevens vanwege het tijdsverloop niet meer beschikbaar waren.

Eiser maakte bezwaar en overhandigde enkele documenten, waaronder een onvolledig werkbriefje uit 1999, een brief over een werkloosheidswetuitkering zonder details en een medisch certificaat uit 2016 in het Chinees. Deze stukken boden echter onvoldoende bewijs voor de verzekeringsstatus, het loon en de medische situatie in 1998.

De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij eiser ligt en dat vanwege het lange tijdsverloop een zwaardere bewijslast geldt. Hoewel de rechtbank begrip toonde voor de persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder zijn vertrek uit Nederland uit angst voor zijn veiligheid, kon dit geen uitzondering rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van verzekeringsstatus en arbeidsongeschiktheid in 1998.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2245

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2025 in de zaak tussen

[eiser],uit [woonplaats] (China), eiser,
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: mr. H.J.J. Verhoeven).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Met het primaire besluit van 2 oktober 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 januari 2025 is verweerder bij deze afwijzing gebleven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2025. Eiser was, bijgestaan door de tolk Y. Crow, door middel van een digitale verbinding aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De totstandkoming van de besluiten

1. Eiser woont in China. Hij heeft op 20 februari 2024 een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd. In zijn aanvraag heeft eiser aangegeven dat hij vanaf [datum] 1998 in Nederland arbeidsongeschikt is geraakt. Volgens eiser heeft hij in 1998 in twee restaurants in Nederland gewerkt. Vervolgens is hij naar China vertrokken.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Volgens verweerder was eiser niet verzekerd, omdat hij op [datum] 1998 geen dienstverband of een werkloosheidswetuitkering had. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij daarna heeft gewerkt in China. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft vervolgens eiser op 9 december 2024 gevraagd om nadere informatie. Verweerder heeft eiser onder meer gevraagd om loonstroken over de periode van één jaar voor de eerste ziektedag, om een arbeidsovereenkomst over de periode van één jaar voor de eerste ziektedag, om de aangifte inkomstenbelasting van het jaar voor de eerste ziektedag en om medische informatie die ziet op eisers eerste ziektedag.
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder kan niet meer vaststellen of eiser verzekerd was voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Daarnaast kan verweerder ook niet vaststellen wat eiser zijn loon was voorafgaand aan een eventuele arbeidsongeschiktheid. Vanwege tijdsverloop zijn er onvoldoende gegevens meer beschikbaar. De gegevens zijn na de wettelijke bewaartermijn vernietigd. Dit komt voor rekening en risico van eiser. De stukken die hij heeft overgelegd zijn volgens verweerder niet voldoende om het recht op een eventuele arbeidsongeschiktheidsuitkering vast te stellen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden de aanvraag van eiser voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft afgewezen, omdat verweerder niet over voldoende gegevens beschikt om tot verdere behandeling van de aanvraag over te gaan.
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de bewijslast rust bij de aanvrager. Dit betekent dat eiser in dit geval moet aantonen dat hij op het moment van het intreden van de arbeidsongeschiktheid verzekerd was. Dit is bevestigd door de Centrale Raad van Beroep, dit is de hoogste rechterlijke instantie in dit soort zaken, die stelt dat vaststelling van de verzekeringsplicht op het tijdstip van arbeidsongeschiktheid essentieel is. [1] Daarnaast heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat bij aanvragen die aanzienlijk lang na het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid worden ingediend, een zwaardere bewijslast geldt voor de aanvrager. [2] Dit houdt in dat het risico dat het niet meer mogelijk is om de medische en verzekeringstechnische situatie vast te stellen, voor rekening komt van de aanvrager. Indien verweerder niet kan vaststellen of de aanvrager verzekerd was, dient de aanvrager dit te bewijzen met relevante documenten, zoals loonstroken, werkgeversverklaringen of polisgegevens.
6. Verweerder heeft in het bestreden besluit en op zitting toegelicht dat hij de medische en verzekeringstechnische situatie van eiser in 1998 niet meer kan vaststellen. De benodigde gegevens zijn vanwege het tijdsverloop verwijderd en voor verweerder dan ook niet meer toegankelijk. Eiser heeft weliswaar een werkbriefje uit 1999 overgelegd, maar deze is niet ingevuld. Hieruit volgen dan ook niet de voor verweerder benodigde gegevens. Verder heeft eiser een brief overgelegd waaruit volgt dat hij een werkloosheidswetuitkering heeft aangevraagd, maar hieruit blijkt niet of de werkloosheidswetuitkering is toegekend, over welke periode de werkloosheidswetuitkering is toegekend en hoe hoog de werkloosheidswetuitkering zou zijn geweest. Verder heeft eiser nog een medisch certificaat in de Chinese taal uit 2016 overgelegd, maar hieruit volgt de medische situatie in 1998 niet. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat uit deze stukken niet kan worden vastgesteld of eiser in 1998 verzekerd was, wat het loon van eiser in 1998 was en wat de medische situatie van eiser in 1998 was. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook op goede gronden afgewezen.
7. In beroep en op zitting heeft eiser zijn situatie toegelicht. Eiser heeft aangegeven dat hij in 1999 uit Nederland is gevlucht, omdat hij bang was te worden vermoord. Eiser heeft het gevoel gehad dat hij werd bekeken en achtervolgd. Eiser stelt dat hij momenteel nog steeds hiervan gezondheidsklachten ervaart. Hij is op dit moment niet in staat om te werken. Volgens eiser blijkt dit ook uit de door hem overgelegde actuele medische stukken. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie die eiser (nog steeds) ervaart, kan op grond daarvan voor eiser geen uitzondering worden gemaakt. Daartoe is van belang dat het de verantwoordelijkheid van eiser is om een aanvraag in te dienen indien hij van mening is dat hij daar recht op heeft. Eiser heeft ruim 25 jaar later een aanvraag ingediend. De rechtbank kan zich voorstellen dat de door eiser genoemde omstandigheden mogelijk voor enige vertraging hebben gezorgd, maar dit laat onverlet dat eiser daarmee het risico heeft genomen dat verweerder zijn aanvraag bij gebrek aan voldoende informatie niet meer kan behandelen. Verweerder heeft niet de bevoegdheid om voor eiser een uitzondering te maken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft op goede gronden de aanvraag van eiser afgewezen. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.J.A. van Eck, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juli 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AI0196.
2.De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3674.