De rechtbank Amsterdam behandelde de ontnemingsvordering van de officier van justitie tegen veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor mensenhandel door seksuele uitbuiting. De ontnemingsvordering betrof het vaststellen en opleggen van betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode 2010-2016.
De verdediging verzocht primair om aanhouding van de ontnemingszaak in afwachting van het cassatieberoep bij de Hoge Raad, maar dit verzoek werd afgewezen omdat een onherroepelijke strafzaak niet vereist is voor ontnemingsvorderingen. De rechtbank verwierp de berekeningen van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit 2018, omdat deze onvoldoende betrouwbaar waren en vooral gebaseerd op verklaringen van de slachtoffers die geen administratie bijhielden.
In plaats daarvan schatte de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van het veroordelend arrest, waarbij een vast bedrag van €100 per dagdeel werd gehanteerd en het aantal bewezen dagdelen werd vermenigvuldigd. Dit resulteerde in een totaal van €154.700. De rechtbank oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van veroordeelde komt, omdat de vertraging grotendeels door zijn verzoeken werd veroorzaakt.
De verdediging stelde dat veroordeelde geen draagkracht heeft wegens arbeidsongeschiktheid, maar de rechtbank vond dat dit pas in de executiefase kan worden beoordeeld. De tijdelijke ontheffing van sollicitatieplicht was onvoldoende om nu al matiging toe te passen. De rechtbank legde een betalingsverplichting van €154.700 op en bepaalde de maximale gijzeling op 1080 dagen.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 30 juli 2025.