ECLI:NL:RBAMS:2025:6502

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 september 2025
Publicatiedatum
4 september 2025
Zaaknummer
AMS 25/4573 en 25/3726
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening en beroep tegen schorsing rijbewijs wegens drugsgebruik

Op 3 september 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in de zaken AMS 25/4573 (voorlopige voorziening) en AMS 25/3726 (beroep). De zaak betreft een verzoek van eiser, die het niet eens is met het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om hem te verplichten een onderzoek naar zijn drugsgebruik te ondergaan en zijn rijbewijs voorlopig te schorsen. Eiser heeft op 5 februari en 5 maart 2025 deelgenomen aan het verkeer onder invloed van cannabis, wat niet in geschil is. Het CBR heeft op basis van deze feiten besloten dat eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid moet ondergaan en heeft zijn rijbewijs geschorst tot de uitslag van dat onderzoek bekend is. Eiser heeft beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening, waarbij hij aanvoert dat het CBR ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, zoals zijn medische situatie en het feit dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk als rijinstructeur en buschauffeur.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het CBR terecht heeft besloten tot het opleggen van het onderzoek en de schorsing van het rijbewijs. De rechter stelt vast dat er objectieve aanwijzingen zijn dat eiser onder invloed van drugs heeft gereden, en dat de wetgeving geen ruimte biedt voor een belangenafweging op basis van persoonlijke omstandigheden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat eiser zijn rijbewijs voorlopig niet terugkrijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/4573 (vovo) en AMS 25/3726 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2025 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , verzoeker/eiser (hierna: eiser)

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR), verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR dat eiser een onderzoek moet laten doen naar zijn drugsgebruik en dat hij voorlopig niet mag rijden, in elk geval niet tot de uitslag van dat onderzoek. Eiser is het niet eens met dat besluit. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het CBR tot dit besluit heeft kunnen komen.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR een onderzoek mocht laten doen naar het drugsgebruik van eiser en dat het CBR in afwachting van de uitslag zijn rijbewijs kon schorsen
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2.1.
Eiser heeft op 5 februari 2025 en 5 maart 2025 aan het verkeer deelgenomen onder invloed cannabis. Dit is niet in geschil. Het CBR heeft daarom op 17 april 2025 een onderzoek opgelegd naar eisers geschiktheid, meer specifiek zijn drugsgebruik en daarbij de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst. [1]
2.2.
Met het bestreden besluit van 23 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
Verweerder heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
2.5.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.
Eiser heeft aangevoerd dat het CBR bij het nemen van het besluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Eiser heeft weliswaar cannabis gebruikt waardoor hij op 5 februari en 5 maart 2025 in de ochtend positief heeft getest toen hij als rijinstructeur aan het werk was. Hij gebruikte in die periode cannabis in de avonden ter bestrijding van de pijn als gevolg van een zware hernia. Dit blijkt ook uit zijn medische gegevens. Eiser was in de veronderstelling dat hij de volgende ochtend dan weer veilig kon rijden. Eiser is ook nooit feitelijk ongeschikt geweest om te rijden. Hij handelt juist altijd zeer verantwoordelijk, zoals ook zijn werkgever en klanten bevestigen. Eiser is bovendien in mei gestopt met het gebruik van cannabis. Hoewel uit het eerste onderzoek op 11 juni 2025 nog zou blijken van drugsmisbruik, verwacht hij dat uit het recent afgenomen onderzoek het tegendeel blijkt. Eiser hoopt daarom dat hij weer gebruik mag maken van zijn rijbewijs zodat hij zijn beroep als rijinstructeur en buschauffeur kan uitoefenen en zijn maatschappelijke taken, waaronder de mantelzorg voor zijn moeder, beter kan oppakken.
3.2.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op grond van de bevindingen van de politie is komen vast te staan dat eiser op 5 februari 2025 onder invloed van drogerende stoffen (Cannabis/THC) auto heeft gereden. Op 13 maart 2025 heeft het CBR daarom besloten dat eiser een cursus moet volgen over drugs en verkeer. Op 17 april 2025 heeft het CBR eiser bericht dat aanvullende informatie van de politie is ontvangen en dat op basis van die informatie een cursus niet meer de juiste maatregel is. Eiser hoeft de cursus niet meer te volgen. De informatie waar het CBR op doelt betreft de constatering door de politie op 5 maart 2025 dat eiser met drugs op heeft gereden. Het CBR heeft vervolgens op 17 april 2025 het besluit van 13 maart 2025 omgezet. Op basis van de constateringen van 5 februari 2025 en 5 maart 2025 heeft het CBR besloten dat eiser een onderzoek moet laten doen naar zijn drugsgebruik en dat hij voorlopig niet meer mag rijden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CBR op grond van het criterium als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder g, van de Regeling terecht heeft geconcludeerd tot het vermoeden dat hij rijongeschikt was wegens drugsgebruik. Dat eiser heeft aangevoerd dat hij ondanks zijn cannabisgebruik de avonden voor de constateringen altijd geschikt was om auto te rijden maakt dat oordeel niet anders. Er is tweemaal binnen vijf jaar objectief vastgesteld dat eiser Cannabis/THC in zijn bloed had tijdens het rijden. Dit wordt ook niet door eiser betwist. Vanwege het vermoeden van rijongeschiktheid was het CBR verplicht [3] om eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid op te leggen. Dit maakte tevens dat het CBR gehouden was het rijbewijs van eiser te schorsen totdat de uitkomst van het onderzoek bekend is, omdat deze bepalingen een onderzoek en een schorsing van het rijbewijs dwingend voorschrijven. [4]
3.3.
Het gaat eiser om het meewegen van zijn persoonlijke omstandigheden. De voorzieningenrechter overweegt dat de toepasselijke bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994 en de Regeling geen ruimte laten om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. [5] De rechter kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken. De voorzieningenrechter is – met het CBR – van oordeel dat de door eiser aangevoerde omstandigheden rondom zijn cannabisgebruik en het feit dat hij voor zijn beroep en maatschappelijke taken afhankelijk is van zijn rijbewijs niet zodanig bijzonder is dat sprake is van een uitzonderlijk geval. De situatie van eiser wijkt niet af van die van andere personen van wie het rijbewijs is geschorst en die onder meer voor hun werk afhankelijk zijn van hun rijbewijs. Ook is uit het eerste onderzoek nog drugsmisbruik gebleken. Dat uit het tweede onderzoek volgens eiser het tegendeel zal blijken, betekent niet dat daarmee het bestreden besluit op onjuiste gronden is genomen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit niet wordt geschorst en eiser kan dus nog niet beschikken over zijn rijbewijs. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Dat besluit is gebaseerd op de artikelen 130 tot en met 134a van de Wegenverkeerswet 1994, en op artikel 23 lid 1 sub g jo. 5 en 6, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (De Regeling).
2.Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Op grond van artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, gelezen in verbinding met artikel 23, eerste lid, aanhef en onder g, van de Regeling.
4.Op grond van artikel 131, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, gelezen in verbinding met artikel 5, aanhef en onder a, en artikel 6 van de Regeling.
5.Dit is vaste rechtspraak. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:928, en 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1574 en 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924