ECLI:NL:RBAMS:2025:6266
Rechtbank Amsterdam
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens vernietiging oneerlijk prijsbeding in overeenkomst consument
In deze zaak stond een vordering centraal die voortvloeide uit een overeenkomst van opdracht tussen een consument en een handelaar. De rechtbank oordeelde in een tussenvonnis dat het prijsbeding in de overeenkomst oneerlijk was en vernietigde dit beding, waardoor de overeenkomst kwam te vervallen.
De eiser stelde dat hij recht had op een redelijk loon op grond van artikel 7:405 BW Pro, ondanks het vervallen van de overeenkomst. De kantonrechter verwierp dit, verwijzend naar het arrest van het HvJEU van 12 januari 2023, waarin werd bepaald dat alleen in het geval van uiterst nadelige gevolgen voor de consument een rechter het vernietigde beding kan vervangen door een nationale regeling. Dit was hier niet aan de orde.
Daarnaast bleek uit de procedure dat de eiser onvoldoende concreet had aangetoond dat de consument voorafgaand aan de overeenkomst een duidelijke en transparante prijsopgave had ontvangen. Ook een alternatieve grondslag zoals ongerechtvaardigde verrijking werd afgewezen, omdat dit in strijd zou zijn met de doelstellingen van de richtlijn oneerlijke bedingen.
De vordering werd daarom afgewezen en de eiser werd veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van de gedaagde nihil werden begroot.
Uitkomst: De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.