De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 januari 2025 de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen. De opgeëiste persoon werd verdacht van strafbare feiten in Polen en was opgeroepen voor overlevering.
Tijdens eerdere zittingen, waaronder op 31 oktober en 26 november 2024, werd de procedure aangehouden en verlengd om aanvullende informatie te verkrijgen over de detentieomstandigheden in Polen. Op 10 december 2024 oordeelde de rechtbank dat er sprake was van een individueel reëel gevaar voor schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, waardoor de beslissing werd aangehouden in afwachting van gewijzigde omstandigheden.
De Poolse autoriteiten gaven op 30 december 2024 aan geen garanties te kunnen bieden over verbeterde detentieomstandigheden. Zowel de raadsman van de opgeëiste persoon als de officier van justitie stelden dat er geen wijziging van omstandigheden was. De rechtbank concludeerde daarop dat het reële gevaar bleef bestaan en gaf geen gevolg aan het EAB, waarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard. De geschorste gevangenhouding werd opgeheven.
De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.