De rechtbank Amsterdam sprak verdachte vrij van de primair ten laste gelegde gekwalificeerde opzetverkrachting en de subsidiaire poging daartoe. De tenlastelegging betrof een incident op 1 november 2024 waarbij verdachte werd beschuldigd van het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. Hoewel verdachte de vagina van aangeefster had aangeraakt en DNA-sporen van verdachte op de venusheuvel en rondom de vagina waren aangetroffen, kon niet wettig en overtuigend worden bewezen dat sprake was van seksueel binnendringen tussen de schaamlippen, een essentieel bestanddeel van verkrachting.
De verklaring van aangeefster werd als betrouwbaar beoordeeld, maar behoedzaam gebruikt vanwege haar alcoholgebruik, taalbarrière en sturende verhoormethoden. Verdachte ontkende het binnendringen en verklaarde dat de handelingen consensueel waren. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om de verkrachting wettig en overtuigend vast te stellen.
Ook de poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting werd verworpen omdat de gedragingen van verdachte beperkt hadden kunnen blijven tot aanraking van de vagina, zonder concreet begin van binnendringen. De rechtbank merkte op dat mogelijk sprake zou kunnen zijn van aanranding, maar dit was niet ten laste gelegd. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.