ECLI:NL:RBAMS:2025:3524
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring bezwaar tegen DNA-profiel opname minderjarige veroordeelde wegens disproportionaliteit
De rechtbank Amsterdam behandelde het bezwaar van een minderjarige veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. De veroordeelde, destijds 13 jaar oud, was veroordeeld tot een leerstraf van 40 uur voor diefstal en poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen. Hij voerde aan dat opname van zijn DNA-profiel een onevenredige inbreuk op zijn lichamelijke integriteit en privacy vormt, mede in strijd met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
Het Openbaar Ministerie stelde dat geen uitzonderingsgrond bestond en dat de DNA-afname proportioneel was, mede gezien de twee strafbare feiten binnen korte tijd en het ontbreken van een rapportage die recidivegevaar uitsluit. De rechtbank oordeelde dat bijzondere omstandigheden, waaronder de jonge leeftijd van de veroordeelde, het pedagogische karakter van de opgelegde leerstraf, het feit dat het een first offender betreft en het ontbreken van recidive na een jaar, leiden tot disproportionaliteit van de DNA-opname.
De rechtbank concludeerde dat er sprake is van een uitzonderingssituatie conform artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, en verklaarde het bezwaar gegrond. De officier van justitie werd bevolen het celmateriaal terstond te vernietigen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de minderjarige veroordeelde is gegrond verklaard en het celmateriaal moet worden vernietigd.