ECLI:NL:RBAMS:2025:2910

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2025
Publicatiedatum
2 mei 2025
Zaaknummer
13-047981-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 28/1 Wet voorlopige hechtenis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon op grond van Europees aanhoudingsbevel voor deelname aan criminele organisatie en drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 maart 2025 het verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Federaal Parket te Brussel. De opgeëiste persoon, met de Nederlandse nationaliteit en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen, strafbare feiten volgens Belgisch recht.

De rechtbank stelde vast dat het EAB voldeed aan de formele eisen en dat de strafbare feiten in de Nederlandse wet als lijstfeiten zijn opgenomen, waardoor een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft. Tevens werd een individuele detentiegarantie door de Belgische autoriteiten verstrekt, waarmee het algemene risico op onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in Belgische gevangenissen werd weggenomen.

De opgeëiste persoon deed geen beroep op de terugkeergarantie, zodat de overlevering niet afhankelijk werd gesteld van een eventuele terugkeer naar Nederland na strafuitvoering. De rechtbank oordeelde dat er effectieve rechterlijke bescherming bestaat, ondanks dat de uitvaardiging van het EAB door het Belgische parket plaatsvond en niet door een rechter. Gezien het ontbreken van weigeringsgronden en het voldoen aan de wettelijke vereisten, stond de rechtbank de overlevering toe.

De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam, kamer internationale rechtshulp, en is onherroepelijk. De opgeëiste persoon zal na overlevering de mogelijkheid hebben om in België de rechtmatigheid van het EAB aan te vechten.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-047981-25
Datum uitspraak: 4 maart 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 21 februari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 februari 2025 door het Federaal Parket te Brussel (België) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieplaats]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 maart 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft op
27 februari 2025 afstand gedaan van het recht ter zitting aanwezig te zijn. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde raadsvrouw, mr. A.M. Timorason, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding conform artikel 28/1 Wet voorlopige hechtenis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren van 13 februari 2025. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
-
Deelneming aan een criminele organisatie en
-
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [4]
De rechtbank stelt vast dat er bij brief van 26 februari 2025 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit de volgende detentiegarantie is gegeven:
“1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Hasselt indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.

2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?

België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
  • De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
  • De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest vande cel door een muur of schermo Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
  • De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
  • Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden).

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op 24 februari 2025 is daarom door het Federaal Parket van België ten behoeve van de opgeëiste persoon een terugkeergarantie afgegeven. De gemachtigde raadsvrouw heeft namens de opgeëiste persoon verklaard geen beroep te doen op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW.
De rechtbank zal daarom artikel 6, eerste lid, OLW niet toepassen en de overlevering dus niet afhankelijk maken van de terugkeergarantie. Dit heeft tot gevolg dat de Belgische autoriteiten, in geval van een veroordeling tot een vrijheidsstraf, niet verplicht zijn de tenuitvoerlegging daarvan aan Nederland over te dragen.

7.Bevoegdheid tot het uitvaardigen van een EAB met het oog op strafvervolging

De rechtbank gaat er vanuit dat de opgeëiste persoon na overlevering het bevel tot aanhouding conform artikel 28/1 Wet voorlopige hechtenis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren van 13 februari 2025 zal kunnen betwisten. Bij die rechtbank zal hij dan ook zijn eventuele bezwaren tegen de rechtmatigheid van de uitvaardiging van het EAB kunnen aanvoeren en die rechter is op grond van het Unierecht gehouden om de rechtmatigheid van het EAB te toetsen. Zo bezien, is voorzien in effectieve rechterlijke bescherming tegen de beslissing tot uitvaardiging van een EAB. Dat deze bescherming pas kan worden ingeroepen ná overlevering, is niet van belang, omdat op het niveau van de nationale beslissing al rechterlijke bescherming is geboden vóór de overlevering.
Het voorgaande maakt dat de uitvaardiging van het EAB door het Federaal Parket in dit geval niet problematisch is in het licht van de Europese jurisprudentie en de daarin bepaalde vereisten. Het voorgaande maakt dat voldaan is aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het Federaal Parket te Brussel (België) voor de feiten zoals omschreven in onderdeel e van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds voorzitter,
mrs. M.C. Danel en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 maart 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.