Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:2216

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 april 2025
Publicatiedatum
7 april 2025
Zaaknummer
13/02026625
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon naar Hongarije ondanks bezwaren detentieomstandigheden en procedurele kwesties

De rechtbank Amsterdam heeft op 3 april 2025 uitspraak gedaan over de vordering tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Hongarije. De opgeëiste persoon wordt verdacht van een strafbaar feit waarvoor een gevangenisstraf van acht maanden is opgelegd.

Hoewel er bezwaren waren op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) omdat niet onomstotelijk kon worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon in persoon was gedagvaard voor de zitting in hoger beroep, heeft de rechtbank besloten af te zien van de weigeringsgrond. Dit omdat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep had ingesteld en een adresinstructie had ontvangen, waardoor hij op de hoogte had kunnen zijn van de zitting.

Daarnaast waren er zorgen over de detentieomstandigheden in Hongarije, met name in de penitentiaire inrichting Tiszalök, waar een algemeen reëel gevaar voor onmenselijke behandeling bestond. De Hongaarse autoriteiten gaven echter een individuele garantie dat de opgeëiste persoon niet in die inrichting zal worden gedetineerd, maar in een andere gevangenis met betere omstandigheden. De rechtbank achtte deze garantie voldoende om het algemene gevaar weg te nemen.

De rechtbank concludeert dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan. De overlevering wordt daarom toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon naar Hongarije toe ondanks bezwaren over detentieomstandigheden en procedurele kwesties.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/020266-25
Datum uitspraak: 3 april 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 29 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 december 2021 en aangevuld op 13 maart 2025 door
the Penal Enforcement Group of the Tatabánya Regional Court, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] (Hongarije),
feitelijk verblijfadres: [adres]
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 maart 2025, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judgement No. 6.B.39/2019/7 passed by the District Court of Komárom (as court of first instance) on 21 May 2019 that has become final by the judgement No. 10 Bf. 185/2019/8 of the Tatabánya Regional Court (as court of second instance) on 8 October 2019.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Op basis van de door de Hongaarse autoriteiten verstrekte informatie kan niet worden vastgesteld dat de oproep voor de zitting in hoger beroep in persoon aan de opgeëiste persoon is uitgereikt.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan. Ten aanzien van het arrest in hoger beroep is de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW aan de orde. De opgeëiste persoon is in persoon gedagvaard voor de zitting in hoger beroep. Subsidiair moet van toepassing van de weigeringsgrond worden afgezien, omdat de opgeëiste persoon – zo blijkt uit zijn eigen verklaring – zelf hoger beroep heeft ingesteld en een adresinstructie heeft ontvangen.
Oordeel rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank stelt vast dat dit in de onderhavige zaak het geval is en dat het arrest van
the Tatabánya Regional Courtvan 8 oktober 2019 aan artikel 12 OLW Pro getoetst dient te worden.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. In onderdeel d) van het aanvullende EAB, dat is toegevoegd als bijlage bij de aanvullende informatie van 13 maart 2025, is immers ten aanzien van de procedure in hoger beroep geen kruisje gezet bij de uitzondering als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Evenmin blijkt uit de toelichting bij onderdeel d) ondubbelzinnig dat de opgeëiste persoon de dagvaarding in persoon in ontvangst heeft genomen. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg in persoon aanwezig was. De opgeëiste persoon heeft bij het verhoor tijdens zijn voorgeleiding op 21 januari 2025 aan de rechter-commissaris verklaard dat hij zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg en vervolgens nooit meer heeft geïnformeerd naar het verloop van de procedure. Bovendien volgt uit onderdeel d) van het aanvullend EAB dat de opgeëiste persoon tijdens de procedure in eerste aanleg een adres heeft opgegeven, een adresinstructie heeft ontvangen en dat de oproep voor de zitting in hoger beroep ook daadwerkelijk is verstuurd naar het door hem opgegeven adres. Nu de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld, kon en moest hij vermoeden dat hij op dat adres zou worden opgeroepen voor de zitting in hoger beroep.
Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden levert het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. Voor zover de opgeëiste persoon niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

5.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

In een eerdere uitspraak van 7 januari 2025 [5] heeft de rechtbank op basis van het rapport van
the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment(hierna: CPT) van 3 december 2024 overwogen dat sprake is van een onveilige situatie in de penitentiaire inrichting in Tiszalök, gelet op de
ill-treatmentvan gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Tiszalök een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 Handvest Pro.
Het
Ministry of Justice of Hungary, Department of International Criminal Lawheeft bij brief van 13 maart 2025, voor zover van belang, de volgende garantie gegeven:
“ (…)
Depending on the phase of the criminal proceedings it cannot be determined obviously in which sentence enforcement institution the requested person will be placed, but the information regarding the guarantee shall be recorded in the registration documents (manual or electronic) of each detainee.
In case the surrender of the person named in the request occurs, his placement will take place by ensuring the conditions being in line with the provisions of the European Convention on Human Rights, the United Nations Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners, and Recommendation No. R/2006/2 of the European Council on the European Prison Rules; after takeover,[opgeëiste persoon] will not be placed in the Tiszalök National Prison, he will be transported for placement to the Szombathely National Prison as soon as possible. (…)”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [6]
Uit deze individuele detentiegarantie volgt dat de opgeëiste persoon na overlevering niet zal worden gedetineerd in Tiszalök maar naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd in de detentie-instelling Szombathely. De detentiegarantie zal aan het dossier van de opgeëiste persoon worden toegevoegd (“
the information regarding the guarantee shall be recorded in the registration documents”). Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de verstrekte individuele garantie, hiermee het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. De weigeringsgrond van artikel 11 OLW Pro staat niet aan de overlevering in de weg.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan er geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is er geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan the Penal Enforcement Group of the Tatabánya Regional Courtvoor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en E. de Rooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en G. Riedijk, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 april 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
6.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.