ECLI:NL:RBAMS:2025:10908

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
11007506 \ CV EXPL 24-3064
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:96 lid 6 BWRichtlijn 93/13/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing oneerlijke bedingen in leaseovereenkomst en gevolgen ontbinding

Eiser, een BV, vordert betaling van onbetaalde leasetermijnen, rente, incassokosten en diverse vergoedingen van gedaagde op grond van een operational leaseovereenkomst voor een auto. Gedaagde is niet verschenen, verstek is verleend.

De rechtbank toetst ambtshalve de overeenkomst aan het consumentenrecht en de Europese richtlijn 93/13/EG over oneerlijke bedingen. De informatieplichten zijn nageleefd en de kernbedingen over prijs en kilometerafrekening zijn transparant en niet oneerlijk.

Echter worden meerdere bedingen, zoals het ontbindingsbeding, het eigen risico bij schades en de rente- en incassokostenbedingen, als oneerlijk aangemerkt omdat zij het evenwicht tussen partijen aanzienlijk verstoren ten nadele van de consument. De ontbinding door eiser is niet rechtsgeldig, waardoor zij zich schuldig maakt aan schuldeisersverzuim en geen aanspraak kan maken op beëindigingsvergoeding en bijkomende kosten.

De rechtbank wijst daarom alleen de onbetaalde leasetermijnen tot de datum van terugname van de auto en de afrekening van meer gereden kilometers toe. Eisende partij wordt opgedragen om de exacte bedragen te specificeren en de zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing.

Uitkomst: De rechtbank wijst alleen de onbetaalde leasetermijnen tot de datum van terugname en de afrekening van meer gereden kilometers toe en verklaart meerdere bedingen oneerlijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11007506 \ CV EXPL 24-3064
Vonnis van 18 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd te [locatie],
eisende partij,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 maart 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 12.793,19 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten. Eisende partij stelt dat gedaagde partij zich niet heeft gehouden aan de verplichtingen voortvloeiend uit de tussen partijen gesloten operational leaseovereenkomst met betrekking tot een auto.
2.2.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.3.
Eisende partij heeft voldoende gemotiveerd gesteld op welke wijze de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en hoe zij heeft voldaan aan de informatieplichten. Onder de gestelde omstandigheden zijn de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Alle essentiële informatie als bedoeld in dat artikel is opgenomen in de leaseovereenkomst, die gedaagde partij heeft kunnen doorlezen alvorens deze te ondertekenen. Eisende partij heeft dan ook aan haar informatieplichten voldaan.
2.4.
Eisende partij stelt dat de leaseovereenkomst op haar initiatief is ontbonden, vanwege de staat van de auto op het moment dat deze voor onderhoud werd aangeboden, de enorm hoge kilometerstand en de betalingsachterstand. De vordering bestaat volgens eisende partij uit onbetaald gelaten leasetermijnen, een afrekening in verband met meer gereden kilometers, kosten in verband met tussentijdse beëindiging, niet acceptabele schades, een vergoeding voor het niet met volle tank inleveren van de auto, een vergoeding vanwege een lagere restwaarde in verband met niet laten uitvoeren van onderhoud, transport van de auto en schoonmaakkosten omdat de auto niet schoon is ingeleverd en daarin is gerookt.
2.5.
Van alle afzonderlijke onderdelen van de vordering moet worden getoetst of hierover iets is geregeld in de overeenkomst, ongeacht of daarop een beroep wordt gedaan. Als het beding in de overeenkomst dat aan de vordering ten grondslag is óf kan worden gelegd oneerlijk is in de zin van de richtlijn, dan moet dat gedeelte van de vordering worden afgewezen. Ook als uitsluitend een beroep op de wettelijke regeling is gedaan. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).
2.6.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is dus de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg.
Onbetaald gelaten leasetermijnen
2.7.
Dit gedeelte van de vordering ziet op de kern van de overeengekomen prestaties, te weten de door gedaagde partij te betalen prijs. Ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn moeten dergelijke kernbedingen uitsluitend op oneerlijkheid worden getoetst als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu de prijs op transparante wijze in de overeenkomst staat, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.
2.8.
Uit de facturen blijkt wel dat een hoger bedrag in rekening wordt gebracht dan in de overeenkomst staat. Hierover heeft eisende partij in de dagvaarding voldoende toelichting gegeven. De hogere leaseprijs had te maken met de veel hogere kilometerstand dan conform de overeenkomst was toegestaan, zodat overeenkomstig de laatste alinea van artikel 3 van Pro de leaseovereenkomst een voorschotbedrag bij de leasetermijnen is opgeteld om op die wijze de eindafrekening te dempen. Het beding dat hieraan ten grondslag ligt is getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat het slechts een voorschot betreft en de daadwerkelijk te betalen kosten afhankelijk is van het gebruik door gedaagde partij. Voor zover ook een verhoging van de leaseprijs op grond van het prijswijzigingsbeding in artikel 4 van Pro de algemene voorwaarden is inbegrepen, is ook die verhoging mogelijk, nu het prijswijzigingsbeding (bestaande uit een jaarlijkse vaste inflatiecorrectie van 1,5% van de leaseprijs) is getoetst en niet oneerlijk is bevonden.
2.9.
De onbetaald gelaten leasetermijnen komen vanwege het voorgaande niet onrechtmatig of ongegrond voor.
Afrekening meer gereden kilometers
2.10.
De afrekening voor meer gereden kilometers is, evenals de maandelijkse leasetermijnen, gebaseerd op een transparant kernbeding in de overeenkomst, zodat verdere toetsing van dit beding niet aan de orde is.
2.11.
Dit gedeelte van de vordering komt eveneens niet onrechtmatig of ongegrond voor.
Tussentijdse beëindiging van de overeenkomst door eisende partij
2.12.
Eisende partij stelt dat zij de overeenkomst voortijdig heeft ontbonden. Een ontbindingsverklaring zit echter niet bij de processtukken. Eisende partij had aan gedaagde partij een ontbindingsverklaring moeten sturen.
2.13.
Maar ook als de ontbindingsverklaring wel zou zijn gestuurd, geldt dat het beding op grond waarvan eisende partij de overeenkomst kon ontbinden, te weten artikel 7 van Pro de algemene voorwaarden, moet worden getoetst. Dit beding luidt:
Als de klant niet aan zijn/haar verplichtingen voldoet dan heeft [eiser] het recht om de auto op kosten van de klant terug te nemen. Dit recht heeft [eiser] ook als de klant een beroep doet op de wet schuldsanering natuurlijke personen, aangifte tot faillietverklaring doet, of in staat van faillissement verklaard wordt of op andere wijze de vrije beschikking over zijn vermogen verliest. (…) In al deze gevallen is de klant de normale beëindigingsvergoeding verschuldigd zoals vermeld in artikel 8.
2.14.
Dit beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, omdat daaruit volgt dat een tekortkoming ontbinding (beëindiging) ook moet rechtvaardigen. Daar zit een bepaalde redelijkheidstoets in, die het beding niet kent. Integendeel, op grond van het beding kan eisende partij bij het niet voldoen aan de verplichtingen direct tot beëindiging overgaan en een beëindigingsvergoeding in rekening brengen, ook als zo’n ontbinding met haar gevolgen, gelet op de geringe aard van de tekortkoming, niet gerechtvaardigd zou zijn. Dat zorgt voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen, ten nadele van de consument. Het beding wordt daarom als oneerlijk aangemerkt.
2.15.
Uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) volgt dat eisende partij, als een beding oneerlijk is, ongeacht of daar een beroep op is gedaan, niet kan terugvallen op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn als het beding niet in de voorwaarden zou staan. Voor ontbinding, voor zover had kunnen worden vastgesteld dát is ontbonden, is dan ook geen ruimte.
2.16.
Eisende partij heeft de auto echter teruggenomen met ingang van 30 oktober 2022. Door dat te doen, maakt zij zich schuldig aan schuldeisersverzuim, door het huurgenot niet langer aan gedaagde partij te verschaffen, terwijl de overeenkomst nog liep. Gevolg daarvan is dat gedaagde partij, vanaf de datum waarop eisende partij de auto heeft teruggenomen, geen leasetermijnen meer is verschuldigd aan eisende partij. Evenmin kan sprake zijn van een beëindigingsvergoeding, voor een vergoeding van gemaakte kosten voor het transporteren van de auto, schoonmaakkosten, schadevergoeding vanwege een lagere restwaarde door de voortijdige beëindiging en tankkosten (nog daargelaten dat niet is overeengekomen dat de auto met een volle tank moet worden ingeleverd). Deze onderdelen van de vordering komen dan ook onrechtmatig en ongegrond voor.
Niet acceptabele schades
2.17.
Voor dit onderdeel van de vordering baseert eisende partij zich, althans kan zij zich baseren op artikel 5 en Pro 7 van de algemene voorwaarden. De hoogte van het eigen risico per schadegeval is afhankelijk van het aantal schadevrije jaren en varieert tussen de € 100,00 en € 300,00. De artikelen luiden, voor zover van belang:
Het eigen risico betreft het eigen risico per schadegeval. Het eigen risico wordt niet in rekening gebracht als de schade door een tegenpartij vergoed wordt.
Onder schade wordt verstaan een schade waarbij de kosten hoger zijn dan het eigen risico. Na een schade gaat men, in de maand volgend op de maand waarin de schade plaats vond, één trede terug. Bij een tweede of een derde schade gaat men per schade twee treden terug. Na een schadevrij jaar gaat men één trede vooruit.
(…)
Mocht de klant niet aan de normale betalingsverplichtingen voldaan hebben dan wordt bij een eventuele schade het eigen risico van de klant met tenminste € 1.000 verhoogd. Bij betalingsachterstanden heeft [eiser] het recht om het eigen risico van de klant verder te verhogen.
2.18.
De hiervoor geciteerde onderdelen uit de algemene voorwaarden bevatten een beding over het in rekening kunnen brengen van bedragen aan eigen risico in verband met niet toelaatbare schades. Dit beding wordt als oneerlijk aangemerkt, omdat het eisende partij de bevoegdheid geeft te bepalen wanneer sprake is van een niet toelaatbare schade. Bovendien geeft het beding eisende partij de bevoegdheid om in geval van een betalingsachterstand eenzijdig te bepalen hoe hoog deze bedragen zijn. Het beding bepaalt immers dat de overeengekomen bedragen aan eigen risico, die afhankelijk van de trede variëren tussen de € 100,00 en € 300,00, bij een betalingsachterstand worden verhoogd met
tenminste€ 1.000,00. Daar bovenop, zo bepaalt het beding, kan eisende partij het bedrag nog verder verhogen. Dat kan, zeker als sprake is van meerdere schadegevallen, leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding, waardoor sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen, ten nadele van gedaagde partij als consument.
2.19.
Nu het beding oneerlijk is, moet het buiten toepassing blijven, zodat gedaagde partij daaraan niet is gebonden. Eisende partij kan zich niet meer op het beding beroepen voor het in rekening brengen van (eigen risico uit hoofde van) schades. Evenmin kan eisende partij een rechtsgeldig beroep doen op schadevergoeding op grond van de wet. Gevolg hiervan is dat de schades niet bij gedaagde partij in rekening kunnen worden gebracht.
Rente
2.20.
Eisende partij vordert betaling van wettelijke rente. Zij heeft in de algemene voorwaarden echter bedingen staan op grond waarvan zij extra kosten in rekening kan brengen als niet aan de betalingsverplichtingen wordt voldaan. Deze bedingen moeten (cumulatief) worden getoetst, ook al doet eisende partij hier kennelijk geen beroep op. De bedingen die in dit verband van belang zijn staan in artikel 7 van Pro de algemene voorwaarden en luiden:
Overeengekomen is betaling door middel van automatische incasso. Betaling door middel van automatische incasso is erg efficiënt, dit bespaart [eiser] veel werk, op basis hiervan is in de overeengekomen leaseprijs een korting verwerkt van € 15 per maand. Als een incasso door [eiser] niet leidt tot betaling van de verschuldigde leasetermijn vervalt de korting en is de klant als gevolg hiervan per niet gelukte incasso een vergoeding voor administratiekosten verschuldigd van € 15,-. Daarnaast is de klant bij niet-tijdige betaling een rente verschuldigd van 1% per maand, te rekenen vanaf de vervaldatum van de verschuldigde betaling.
2.21.
Anders dan het beding doet vermoeden, is geen sprake van een op de leaseprijs inbegrepen korting, maar van een boete op niet automatisch kunnen incasseren. Daarnaast kan eisende partij 1% rente per maand in rekening brengen. Alleen al de rente, die aanzienlijk hoger is dan de destijds in 2020 geldende wettelijke (handels)rente, zorgt ervoor dat het beding als oneerlijk moet worden aangemerkt, omdat het leidt tot een onevenredig hoge schadevergoeding. Gevolg daarvan is dat eisende partij geen aanspraak kan maken op wettelijke rente.
Buitengerechtelijke kosten
2.22.
In de algemene voorwaarden staat in artikel 7 ook Pro een beding over buitengerechtelijke kosten dat moet worden getoetst op oneerlijkheid. Dat beding luidt:
Per verstuurde aangetekende aanmaning is de klant een vergoeding voor administratiekosten van € 25,- verschuldigd. Mocht de klant na meerdere betalingsherinneringen en/of aanmaningen niet aan zijn/haar verplichtingen voldoen dan wordt de vordering ter incasso uit handen gegeven. Nadat de vordering ter incasso gegeven is, is de klant naast de rente en de administratievergoeding een incassovergoeding verschuldigd conform de geldende wettelijke regeling.
2.23.
Op grond van dit beding kan eisende partij ingeval van incasso meer kosten in rekening brengen dan wettelijk is toegestaan. De wettelijke regeling over buitengerechtelijke kosten is van dwingend recht, zodat afwijking daarvan ten nadele van de consument oneerlijkheid oplevert (zie ECLI:NL:HR:2023:198). Weliswaar verwijst het beding naar de wettelijke regeling, maar de formulering lijkt erop gericht te zijn dat dit slechts ziet op de hoogte van de kosten. Uit het beding volgt echter dat incassokosten direct verschuldigd raken als de vordering ter incasso uit handen wordt gegeven, terwijl ingevolge de wettelijke regeling eerst een vruchteloze aanmaning is vereist als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Nu het beding het mogelijk maakt om ten nadele van de consument af te wijken van de wettelijke regeling, is het beding oneerlijk. Terugvallen op de wettelijke regeling met betrekking tot buitengerechtelijke kosten is in dat geval niet mogelijk.
2.24.
Voordat de kantonrechter de hiervoor besproken bedingen die als oneerlijk zijn aangemerkt buiten toepassing laat, krijgt eisende partij de gelegenheid zich over de oneerlijkheid uit te laten.
2.25.
Nu op grond van het voorgaande enkel de onbetaald gelaten leasetermijnen tot 30 oktober 2022 en de afrekening van de meer gereden kilometers toewijsbaar zijn, wordt eisende partij opgedragen om, gespecificeerd per onderdeel, te laten weten om welke bedragen dat exact gaat.
2.26.
De zaak wordt voor akte uitlating eisende partij verwezen naar de rol.
2.27.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.28.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
donderdag 22 januari 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating eisende partij,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.27,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
991