7.3.Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft afgesproken met een destijds 14-jarig meisje. Zij zijn samen naar een serviceruimte van een appartementencomplex gegaan om te chillen. Verdachte had sterke drank (wodka) meegenomen en heeft het meisje daarvan laten drinken. Vervolgens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ontucht door haar blote borst te betasten. Daarna heeft verdachte haar alleen achtergelaten in de serviceruimte. Ongeveer anderhalf uur later werd zij daar door verbalisanten dronken en in haar omhooggeschoven T-shirt liggend op de betonnen vloer aangetroffen. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat zij nog steeds last heeft van hetgeen haar is overkomen. Zij heeft ook langere tijd angstklachten, herbelevingen en slaapproblemen gehad.
De rechtbank acht het ernstig dat verdachte zich heeft ingelaten met een minderjarig meisje en misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbare positie. Door haar alcohol te laten drinken en haar te betasten, heeft verdachte inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en seksuele integriteit. Minderjarigen zijn extra kwetsbaar voor beïnvloeding en vaak niet in staat om zelf de gevolgen van dergelijke situaties volledig te overzien. De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat verdachte het slachtoffer, nadat hij haar in een uiterst kwetsbare toestand had gebracht, alleen heeft achtergelaten.
De rechtbank benadrukt dat deze situatie om een verklaring van verdachte schreeuwt, die echter volledig is uitgebleven. Verdachte heeft zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen en is niet ter terechtzitting verschenen. Verdachte staat hierin weliswaar in zijn recht, maar neemt daardoor op geen enkele wijze verantwoordelijkheid voor datgeen waaraan hij het slachtoffer heeft blootgesteld.
In tegendeel, twee jaar later, heeft verdachte het slachtoffer op straat benaderd en haar opgedragen de eerdere aangifte in te trekken. Toen het slachtoffer aangaf dat zij dit niet kon doen omdat haar moeder de aangifte had gedaan, heeft verdachte haar meerdere malen met beide vuisten geslagen en haar keel vastgepakt en dichtgeknepen. Het slachtoffer heeft hierdoor aanzienlijke bloeduitstortingen opgelopen.
De rechtbank rekent het verdachte verder zwaar aan dat de mishandeling van het slachtoffer is gepleegd tijdens de proeftijd van een eerder geweldsdelict en met het oogmerk om het verloop van het strafproces te verstoren.
De rechtbank houdt enigszins strafverminderend rekening met het tijdsverloop sinds het begaan van de onderhavige feiten.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens soortgelijke feiten, en dat hij in een proeftijd liep in verband met een veroordeling wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies over verdachte van 14 februari 2024. Daarin wordt beschreven dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, maar dat vanwege het feit dat hij geen inzicht in zijn gedachten en gevoelens heeft gegeven, niet met zekerheid kan worden gezegd of deze beperking van invloed is geweest op zijn beslissingsvaardigheden. Het risico op toekomstig seksueel en gewelddadig gedrag wordt ingeschat op matig tot hoog. Deze inschatting dient echter met terughoudendheid te worden geïnterpreteerd, nu geen inzicht is verkregen in de seksualiteitsbeleving van verdachte. Er wordt geadviseerd om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat onvoldoende aanknopingspunten worden gezien om dit risico met interventies of toezicht te beperken.
Conclusie
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met artikel 63 Sr, nu de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd voor de veroordeling van verdachte door de politierechter in deze rechtbank op 28 januari 2025 in de zaak met parketnummer 13/324130-23.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en komt de rechtbank tot een hogere strafoplegging dan is gevorderd. De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 150 uren met aftrek van het voorarrest passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar opleggen. Hiermee wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, anderzijds wordt de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank ziet, gelet op het reclasseringsadvies, geen aanleiding om bijzondere voorwaarden op te leggen.
Contactverbod
De rechtbank legt aan verdachte als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr een contactverbod met het slachtoffer op. Dit houdt in dat verdachte gedurende twee jaren op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen met het slachtoffer. De rechtbank bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De rechtbank acht oplegging van deze maatregel noodzakelijk, zodat het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens het slachtoffer wordt ingeperkt. Gelet op het door de reclassering gestelde gevaar voor herhaling, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat verdachte weer een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam en wordt deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard. Op deze manier kan het slachtoffer op snelle en effectieve wijze worden beschermd.