ECLI:NL:RBAMS:2025:10870

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
10749368 \ CV EXPL 23-13509
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 93/13/EGWet marktordening gezondheidszorgArt. 10 algemene voorwaardenArt. 11 algemene voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling transparantie en eerlijkheid van prijsbeding in spoedeisende medische zorg

De Stichting Noordwest Ziekenhuisgroep vordert betaling van een factuur voor spoedeisende medische zorg aan gedaagde, die niet is verschenen in de procedure. De kantonrechter toetst ambtshalve het prijsbeding in de overeenkomst aan Richtlijn 93/13/EG over oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

Hoewel het prijsbeding niet transparant is, wordt het onder de gegeven omstandigheden niet als oneerlijk beoordeeld vanwege de spoedeisende medische noodsituatie waarin voorafgaand overleg over tarieven niet mogelijk was. De zorgverlener heeft de patiënt zodra mogelijk geïnformeerd over de kosten. De gevorderde hoofdsom en wettelijke rente worden toegewezen.

Het incassokostenbeding in de algemene voorwaarden wordt als oneerlijk aangemerkt omdat het afwijkt van dwingend recht en de redelijkheid van kosten niet concreet is omschreven. Hierdoor wordt de vordering voor buitengerechtelijke kosten afgewezen. Proceskosten worden toegewezen aan eisende partij. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente en proceskosten, terwijl het incassokostenbeding wordt afgewezen als oneerlijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10749368 \ CV EXPL 23-13509
Vonnis van 23 december 2025
in de zaak van
de stichting
STICHTING NOORDWEST ZIEKENHUISGROEP,
gevestigd te Alkmaar,
eisende partij,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 oktober 2025
- de akte van eisende partij.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de oneerlijkheid van het prijsbeding en over de gevolgen van vernietiging van dat prijsbeding.
2.2.
Eisende partij heeft bij akte laten weten, kort gezegd, dat zij de conclusie van de kantonrechter dat sprake is van een oneerlijk prijsbeding niet onderschrijft. Eisende partij benadrukt dat sprake was van een spoedeisende medische noodsituatie. Die spoed bracht met zich dat voorafgaand overleg over de tarieven feitelijk niet mogelijk was. Zodra de situatie dat toeliet is gedaagde partij geïnformeerd over de prijs. Van belang is verder dat sprake was van op (semi-)publiekrechtelijke normen gebaseerde zorgverlening, met door de NZa vastgestelde passantentarieven, die op de website staan. Gedaagde partij was niet in de gelegenheid om tarieven te vergelijken of een weloverwogen keuze te maken tussen aanbieders. Miskend wordt de aard van spoedeisende zorg. Bovendien kan zonder medische onderbouwing niet zondermeer gesteld worden of een patiënt wilsbekwaam is. Dat gedaagde partij niet in coma lag, zoals in het tussenvonnis is geoordeeld, betekent niet dat beoordeeld kon worden of een behandeling elders goedkoper zou zijn. De informatieverplichting voortvloeiend uit de Wet marktordening gezondheidszorg en de daarop gebaseerde regeling strekt niet verder dan voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is. Eisende partij heeft overeenkomstig haar wettelijke verplichtingen gehandeld, waarbij zij erop wijst dat zij wettelijk verplicht is zorg te leveren en in spoedsituaties geen patiënten mag weigeren. Het zou onredelijk zijn als (niet verzekerde) patiënten in dergelijke situaties kosteloos zouden profiteren van zorg waardoor eisende partij met alle kosten blijft zitten.
2.3.
Vooropgesteld wordt dat, anders dan eisende partij lijkt te veronderstellen, medische zorgovereenkomsten binnen de werkingssfeer vallen van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). De begrippen handelaar en consument moeten ruim worden uitgelegd. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie vallen ook activiteiten van publieke aard of in het openbaar belang, of die worden beheerst door het publiekrecht binnen de werkingssfeer, zolang sprake is van een B2C-verhouding, dus een beroepsmatig handelende partij tegenover een consument. Expliciet is in de richtsnoeren [1] vermeld dat ook gezondheids- en zorgdiensten in beginsel onder de richtlijn vallen. De richtlijn moet daarom op overeenkomstige wijze worden toegepast op de onderhavige overeenkomst als op alle andere overeenkomsten gesloten tussen een handelaar en een consument.
2.4.
Dat betekent dat het standaardproces dat eisende partij in haar laatste akte beschrijft, waarbij onverzekerde patiënten in de regel eerst ná de (spoed)zorg een voorschot betalen, informatie ontvangen over de prijs en nadien een afrekening krijgen, in beginsel niet in overeenstemming is met de verplichtingen voortvloeiend uit de richtlijn. Weliswaar is denkbaar dat niet in alle spoedsituaties voorafgaand aan de medische behandeling informatie over de prijs kan worden verstrekt, maar daar waar dat ook maar enigszins mogelijk is moet dat gebeuren, bij gebreke waarvan eisende partij het risico loopt op verdere toetsing van het prijsbeding dan louter op transparantie.
2.5.
Om de redenen genoemd in overweging 2.3 van het tussenvonnis, blijft de kantonrechter bij het oordeel dat het prijsbeding niet transparant is, zodat het prijsbeding moet worden getoetst op oneerlijkheid. Wel wordt aanleiding gezien terug te komen op het oordeel dat het prijsbeding oneerlijk is, omdat de omstandigheden waaronder de (medische) behandeling is aangevangen behoren mee te wegen bij de beoordeling. Eisende partij heeft voldoende gemotiveerd toegelicht dat het niet mogelijk was om gedaagde partij voorafgaand aan de uitgevoerde medische behandeling te informeren over de kosten daarvan, vanwege de spoedeisende medische noodtoestand op dat moment en vanwege de aard van de uitgevoerde behandeling. De factuur, waarin staat beschreven welke medische behandelingen zijn uitgevoerd op dezelfde dag van binnenkomst bij de spoedeisende hulp, lijkt dat te bevestigen. Daar komt bij dat eisende partij onder de gegeven omstandigheden een wettelijke verplichting heeft om iedere patiënt die zich in zo’n medische noodsituatie bevindt te behandelen. Tot slot is van belang dat eisende partij, zodra de medische toestand van gedaagde partij dat toeliet, gedaagde partij alsnog geïnformeerd over de kosten. Al met al wordt het prijsbeding onder al deze omstandigheden niet als oneerlijk aangemerkt.
2.6.
De gevorderde hoofdsom is toewijsbaar.
2.7.
Naast de hoofdsom maakt eisende partij aanspraak op rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Onderzocht moet worden of eisende partij bedingen in de overeenkomst heeft staan op grond waarvan zij daarop aanspraak kan maken. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.8.
In artikel 10 van Pro de algemene voorwaarden staat een rentebeding. Dat beding is getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat wordt verwezen naar en aangesloten bij de wettelijke rente. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar.
2.9.
In artikel 11 van Pro de algemene voorwaarden staat een incassokostenbeding. Dit beding luidt:
Blijft na aanmaning betaling uit, dan zal het ziekenhuis de vordering ter incasso uit handen geven. In dat geval wordt de vordering verhoogd met de in redelijkheid te maken buitengerechtelijke kosten van incasso, zulks met een minimum van € 25,00.
2.10.
Dit incassokostenbeding wordt als oneerlijk aangemerkt, omdat het ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is. Er wordt immers slechts een minimumbedrag genoemd en geen maximumbedrag, zodat het voor eisende partij mogelijk is om met een beroep op dit beding ongelimiteerd incassokosten in rekening te brengen. Weliswaar wordt gerefereerd aan in redelijkheid te maken kosten, maar die term wordt niet nader geconcretiseerd, waardoor het aan eisende partij zelf is om te bepalen of incassokosten redelijk zijn. Nu ten nadele van de consument wordt, althans kan worden afgeweken van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is, levert dat oneerlijkheid op (zie ECLI:NL:HR:2023:198). Gevolg hiervan is dat eisende partij zich ook niet meer op de wettelijke regeling kan beroepen en de gevorderde buitengerechtelijke kosten daarom moeten worden afgewezen.
2.11.
Eisende partij heeft in de algemene voorwaarden geen beding staan over proceskosten, zodat zij een rechtsgeldig beroep kan doen op de wettelijke regeling.
2.12.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
133,93
- griffierecht
487,00
- salaris gemachtigde
271,00
(1 punt × € 271,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
959,43

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 4.100,13, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 3.771,43 vanaf 29 september 2023 tot de dag van de volledige betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 959,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.
991

Voetnoten

1.Richtsnoeren van de Europese Commissie met betrekking tot de uitlegging en toepassing van Richtlijn 93/13/EEG, 2019/C 323/04.