ECLI:NL:RBAMS:2025:10834

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
25-015538
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslag op bankrekening van de echtgenote van de verdachte in het kader van een ontnemingsvordering

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een klaagschrift van de echtgenote van een veroordeelde, die zich verzet tegen het conservatoire beslag dat is gelegd op haar bankrekening. De klaagster, die haar eigen inkomen op deze rekening ontvangt, stelt dat het beslag onterecht is, omdat het tegoed op de rekening volledig aan haar toebehoort. De rechtbank heeft vastgesteld dat de klaagster en haar echtgenoot, de veroordeelde [belanghebbende], hun gezamenlijke woning hebben verkocht en dat een deel van de overwaarde op de rekening van klaagster is gestort. De officier van justitie heeft zich verzet tegen de opheffing van het beslag, stellende dat er sprake is van verhaalsfrustratie. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat het geld op de rekening van klaagster is gegaan met het doel om verhaal te frustreren. De rechtbank heeft het beklag gegrond verklaard en het beslag opgeheven, omdat de klaagster als eigenaar van het bedrag moet worden aangemerkt. De beslissing is openbaar uitgesproken en er staat beroep in cassatie open voor het Openbaar Ministerie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer : 25-015538
datum : 16 december 2025
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klaagster] ,

geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ,
wonende te [plaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.W.J. van Galen, advocaat te Amsterdam,
Wg-Plein 112, 1054 SC te Amsterdam,
hierna te noemen: klaagster.

Procedure

Het klaagschrift is op 12 juni 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het klaagschrift is op 24 september 2025 door de enkelvoudige raadkamer verwezen naar de meervoudige raadkamer.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 2 december 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft klaagster, haar advocaat, mr. A.W.J. van Galen en de officier van justitie op zitting gehoord.
De belanghebbende [belanghebbende] is eveneens in raadkamer gehoord.

Feiten

- Klaagster is de echtgenote van [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] ), geboren op [geboortedatum] ;
- op 9 juli 2024 is [belanghebbende] door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot - onder meer - een gevangenisstraf van 48 maanden voor, kort gezegd: het leiding geven aan een criminele organisatie die als doel had overtreding van de Opiumwet (de handel in verdovende middelen); het als leider deelnemen aan een criminele organisatie met als doel het plegen van misdrijven (witwassen) en medeplegen van valsheid in geschift. Tegen dit vonnis loopt momenteel hoger beroep.
- de officier van justitie heeft in de strafzaak tegen [belanghebbende] een ontnemingsvordering aangekondigd. De hoogte van het door [belanghebbende] wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend op € 3.386.469, waarbij [belanghebbende] en klaagster als economische eenheid worden gezien;
- op 22 januari 2025 hebben [belanghebbende] en klaagster hun woning aan [straat]
Amsterdam verkocht voor € 650.000,-. Een deel van de overwaarde, € 61.700,- is gestort op bankrekening [SNS rekening] (hierna: de SNS rekening) op naam van klaagster, [klaagster] .
Een kleiner deel van de overwaarde, €13.353,- is gestort op een bankrekening van [belanghebbende] ;
- op 26 mei 2025 heeft het Openbaar Ministerie conservatoir beslag gelegd onder een derde -ex artikel 94a lid 4 Sv-, namelijk op de SNS rekening van klaagster, tot een bedrag van € 61.700,-;
- de inbeslagneming is gelegd ten laste van de verdachte [belanghebbende] en dient tot bewaring van het recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel (artikel 94a lid 2 Sv).

Beklag

Het beklag strekt tot het opheffen van het conservatoir gelegde anderbeslag op de bankrekening van de SNS bank op naam van klaagster, eindigend op [SNS rekening] .
Namens klaagster is aangevoerd dat het tegoed op de SNS-rekening enkel aan klaagster toebehoort. Zij ontvangt onder meer haar eigen inkomen op deze rekening. In de door klaagster opgestelde schriftelijke verklaring van 11 november 2025 legt zij uit dat een bedrag
van zeker € 42.081,88 door haar is betaald ten behoeve van aankoop van de woning aan [straat] . [belanghebbende] heeft ook betalingen gedaan die verband houden met de aankoop van de woning (notariskosten) maar deze zijn door hen samen niet als een bijdrage aan de daadwerkelijke aankoop van de woning aangemerkt. De gemaakte verdeling na verkoop van de woning zag erop de kosten van klaagster te dekken en enige winst uit de verkoop te ontvangen. Het standpunt van het Openbaar Ministerie dat sprake is van verhaalsfrustratie is onvoldoende onderbouwd. Er is geen sprake van het wegsluizen van geld met het doel uitwinning te bemoeilijken of verhinderen. Het beslag op de rekening moet worden opgeheven.
Subsidiair verzoekt de raadsman aan klaagster 50% van de totale overwaarde van € 75.053,- toe te kennen en richt het beklag zich tegen het beslag voor zover dit een bedrag van
€ 24.173,50 te boven gaat.
Meer subsidiar verzoekt de raadsman, bij een verdeling van de totale overwaarde van
€ 75.053,- aan klaagster 43% toe te kennen en richt het beklag zich tegen het beslag voor zover dit een bedrag van € 29.427,21,- te boven gaat.
Klaagster heeft in raadkamer aangevuld dat zij en haar echtgenoot vanaf het begin van hun huwelijk in 2010 altijd aparte rekeningen hebben gehad en dat er goede redenen waren om haar een groter deel van de overwaarde van de woning toe te kennen. Weliswaar betaalde haar echtegnoot de hypotheekrente, klaagster nam andere vaste lasten voor haar rekening. Dit is destijds echter nooit schriftelijk vastgelegd.
Zij had en heeft een eigen inkomen. Na de vrijlating van haar echtgenoot in 2022 zijn dhuwelijkse voorwaarden opgemaakt en geregistreerd bij de rechtbank. Het beslag op de bankrekening(en) veroorzaakt ernstige financiële en praktische problemen in het gezin.

Standpunt van de belanghebbende

De belanghebbende heeft in raadkamer het standpunt van klaagster onderschreven en uitgelegd waarom aan zijn vrouw een groter deel van de overwaarde van de woning is toegekend.
Klaagster ziet af van de helft van de (aanzienlijke) huurinkomsten van andere panden, omdat klager de hypotheekrente betaalt. Zij heeft eigen geld in de woning aan [straat] geïnvesteerd.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie verzet zich tegen opheffing van het beslag op de SNS rekening.
Tegen [belanghebbende] is naast een strafrechtelijk onderzoek een ontnemingsvordering aanhangig.
Door de rechter-commissaris is op 2 juni 2020 een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag afgegeven tot een bedrag van € 7.672.130. [belanghebbende] is veroordeeld voor witwassen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij met strafbare feiten zou hebben genoten is berekend op € 3.386.469. In het rapport wederrechtelijk verkregen vermogen worden [belanghebbende] en klaagster als economische eenheid gezien.
Kort gezegd is volgens het Openbaar Ministerie sprake van verhaalsfrustratie. Een deel groot € 61.700 van de overwaarde van de verkoop van het pand aan [straat] is gestort op
de SNS rekening van klaagster. Slechts € 13.353,- is gestort op een bankrekening van [belanghebbende] . In het schriftelijke standpunt van 24 september 2025 heeft het Openbaar Ministerie nader uiteengezet waarom zij van mening is dat het deel van de overwaarde op de rekening van klaagster aan [belanghebbende] toebehoort, namelijk omdat. [belanghebbende] steeds de hypotheekrente en meermaals notariële kosten heeft voldaan. De geldstromen tussen klaagster en haar echtgenoot zijn ook verder onoverzichtelijk.
Het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek moet ook ongegrond worden verklaard. Het conservatoire beslag op bankrekening dient gehandhaafd te blijven. Aan de voorwaarden voor het leggen van dit conservatoir gelegde beslag is voldaan.
De officier van justitie heeft in raadkamer benadrukt dat zij er
nietvanuit gaat dat de SNS-rekening een zogenaamde
en/ofrekening betreft, maar dat deze enkel op naam van klaagster staat. Het beslag op de rekening geldt tot een bedrag van € 61.700, zijnde de overwaarde van [straat] die op de rekening van klaagster is gestort.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. Klaagster is daarom ontvankelijk in het beklag.
Juridisch kader
Bij inbeslagneming met toepassing van art. 94a Sv gaat het om een conservatoir beslag, waarmee in geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, beoogd wordt een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen in verband met een later eventueel op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel.
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren ontnemingsprocedure te treden. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in de hierna volgende aan te leggen toetsingsmaatstaven.
De rechtbank dient in deze zaak te beoordelen of:
(1) er ten tijde van zijn beslissing sprake was van een verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd;
(2) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Aan beide voorwaarden is voldaan. Verdachte [belanghebbende] is in eerste aanleg veroordeeld voor feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Daarnaast is het, gezien de verdenking en gezien de ontnemingsrapportage niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Anderbeslag
In deze zaak doet zich de situatie voor dat het beslag niet onder [belanghebbende] is gelegd maar onder zijn echtgenote.
Indien een derde -onder wie het beslag feitelijk is gelegd maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht- stelt eigenaar te zijn en op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat
buiten redelijke twijfelis dat de klager/klaagster als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven.
Het bedrag van € 61.700,- behoort volgens klaagster en [belanghebbende] in eigendom aan klaagster toe. Het staat op een bankrekening die enkel op naam van klaagster staat. De rechtbank komt tot het oordeel dat buiten redelijke twijfel is dat klaagster als rekeninghouder als eigenaar/rechthebbende van het bedrag van € 61.700,- moet worden aangemerkt.
Indien de klaagster als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet.
In artikel 94a lid 4 Sv, betreffende het zogenaamde anderbeslag, gaat het om beslag dat het Openbaar Ministerie op voorwerpen (zaken en vermogensrechten) van een ander dan de verdachte of veroordeelde kan leggen, tot bewaring van het recht op verhaal van de vordering op de verdachte of veroordeelde.
Dergelijk beslag is mogelijk “indien
voldoende aanwijzingenbestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.” (artikel 94a lid 4 Sv) (HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:579 en HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2144).
De vereisten voor het leggen van anderbeslag zijn:
1) vereiste van verhaalsfrustratie; en
2) vereiste van wetenschap.
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het bedrag aan klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel het bemoeilijken of verhinderen van de uitwinning van het vermogen onder [belanghebbende] en dat klaagster dit wist of dit redelijkerwijs kon vermoeden.
Oordeel van de rechtbank
Er bestaan volgens de rechtbank onvoldoende aanwijzingen dat sprake is van een constructie waarbij een geldbedrag aan klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel om verhaal te frustreren. De rechtbank stelt vast dat klaagster en [belanghebbende] hun gezamenlijke woning aan [straat] hebben verkocht en dat aan klaagster een groter deel van de overwaarde van de woning is uitgekeerd dan aan [belanghebbende] . Voor het toebedelen van een groter deel van de overwaarde aan klaagster hebben klaagster en [belanghebbende] echter een op het oog niet onaannemelijke verklaring gegeven, namelijk dat klaagster eigen geld in de woning had geïnvesteerd, zij weliswaar geen geen hypotheekrente betaalde, maar wel een - kleiner - deel van de vaste lasten voldeed, en dat zij onderling hadden afgesproken dat [belanghebbende] slechts dat deel van de overwaarde kreeg ter grootte van de door hem betaalde notariskosten. Daarbij komt nog dat door klaagster en [belanghebbende] is toegelicht dat zij onderling hebben afgesproken dat klaagster geen inkomsten ontvangt uit de verhuur van –naar de rechtbank begrijpt– ander onroerend goed en dat mede daarom klaagster een groter deel van de overwaarde toebedeeld heeft gekregen.
Het Openbaar Ministerie heeft de verklaring van klaagster en [belanghebbende] niet met een voldoende concrete onderbouwing kunnen weerspreken. De opmerking dat de geldstromen van klaagster en [belanghebbende] voor zover die zien op de woning onoverzichtelijk zijn is niet concreet genoeg.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde in raadkamer geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die voldoende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat het inbeslaggenomen geld aan klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel verhaalsmogelijkheden op [belanghebbende] te frustreren en dat klaagster dat wist of redelijkerwijs kon vermoeden.
met als doel. De rechtbank zal het beklag dan ook gegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag
gegronden heft op:
- het conservatoir gelegde beslag op SNS-bankrekening [SNS rekening] , ten bedrage van € 61.700,-.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. M.A.E Somsen, voorzitter,
mr. C.C.J. Maas-van Es en mr. J.H.C. van der Roest, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.M.E. Leyten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.