ECLI:NL:RBAMS:2025:10720

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
C/13/779595 / HA RK 25-423
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:19 AwbArt. 8:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verschoning rechter wegens vermeende vooringenomenheid in bestuursrechtelijke zaak

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft een bestuursrechter van de rechtbank Amsterdam een verzoek tot verschoning ingediend vanwege vermeende vooringenomenheid. De rechter was betrokken bij een Meervoudige Kamer-zaak (MK-zaak) die raakvlakken vertoont met een aanstaande Enkelvoudige Kamer-zaak (EK-zaak). De rechter gaf aan haar oordeel uit de MK-zaak niet te willen gebruiken in de EK-zaak en voelde zich niet volledig vrij om te beslissen zolang de MK-zaak nog loopt.

De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 en Pro 8:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verschoning is bedoeld om het vertrouwen in de rechterlijke onpartijdigheid te waarborgen. De rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid opleveren.

De rechtbank oordeelde dat het enkele feit dat de rechter haar eerder gegeven oordeel in de MK-zaak niet wil gebruiken in de EK-zaak en dat de MK-zaak nog loopt, onvoldoende is om van vooringenomenheid te spreken. Een eerdere beslissing van een rechter kan alleen aanleiding geven tot verschoning als deze onpartijdigheid objectief in twijfel trekt, wat hier niet het geval was. Het verzoek tot verschoning werd daarom afgewezen zonder mondelinge behandeling. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de bestuursrechter is afgewezen wegens onvoldoende grond voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het onder rekestnummer C/13/779595 / HA RK 25-423 ingeschreven verzoek tot verschoning ingediend door:
mr. M.H. van Haeften, bestuursrechter bij de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter.

1.De procedure

Op 4 december 2025 staat de zaak met kenmerk 25/1320 bij de rechter op een Enkelvoudige Kamer (EK)-zitting.
Op 28 november 2025 heeft de rechter met betrekking tot deze zaak een verschoningsverzoek ingediend.

2.Het verzoek

Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat sprake is van een grond tot verschoning, omdat de inhoud van de zaak raakt aan een zaak die op dit moment in Meervoudige Kamer (MK)-verband voorligt. De rechter is onderdeel van die MK. In die MK-zaken is reeds één zittingsdag geweest en de raadkamer daarover heeft ook al plaatsgevonden. Zolang deze MK-zaken nog lopen, voelt de rechter zich niet volledig vrij om in een EK over een zaak te beslissen die daarmee raakvlakken heeft.

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) dient in een verschoningsprocedure te worden beslist of er sprake is van de in artikel 8:15 Awb Pro genoemde feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit artikel 8:19 Awb Pro valt af te leiden dat de behandeling van een verschoningsverzoek, anders dan de behandeling van een wrakingsverzoek, niet ter terechtzitting behoeft plaats te vinden. De rechtbank zal daarom zonder mondelinge behandeling een beslissing nemen op het verzoek.
3.2.
Verschoning is een middel ter verzekering van (het vertrouwen in) de rechterlijke onpartijdigheid.
3.3.
De rechtbank overweegt dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Hierbij geldt dat een (eerdere) beslissing van een rechter een dergelijke grond niet kan opleveren. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van die beslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als een blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (ECLI:HR:2028:1770).
Hetgeen de rechter aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, te weten dat zij haar reeds in de raadkamer van de MK-zaak gegeven oordeel niet kan en wil gebruiken in de EK-zaak en dat daarnaast de MK zaak nog loopt is ontoereikend om van (de geobjectiveerde schijn van) vooringenomenheid te spreken. Het kan zijn dat het de rechter geraden voorkomt om de EK-zaak aan te houden in afwachting van de MK-uitspraak, maar een verzoek tot verschoning kan in dit geval niet worden toegewezen.
De rechtbank:
 wijst het verzoek tot verschoning af.
 beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:20 Awb Pro wordt toegezonden aan:
 mr. J. Monster (verbonden aan Adviesburo Monster);
 mr. E.G. Blees;
 de rechter.
Aldus gegeven door mr. P.B. Martens, voorzitter, mr. N.C.H. Blankevoort en mr. I.M. Bilderbeek,
leden, op 1 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.