ECLI:NL:RBAMS:2025:10705

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
13/241191-25 en 13/109110-24 (TUL)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en wederspannigheid

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich op 11 september 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en wederspannigheid. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte meerdere bedreigende uitlatingen heeft gedaan richting verbalisanten, wat een redelijke vrees voor geweld heeft opgeroepen. De rechtbank heeft de verdachte voor de bedreiging veroordeeld, maar heeft hem voor enkele uitlatingen vrijgesproken omdat deze niet als strafbare bedreiging konden worden gekwalificeerd. Daarnaast is de verdachte schuldig bevonden aan wederspannigheid, omdat hij zich tijdens zijn aanhouding heeft verzet tegen de politie. De rechtbank heeft de ISD-maatregel opgelegd voor de duur van twee jaar, gezien de ernst van de feiten en het recidiverisico van de verdachte. Tevens is er een vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toegewezen, waarbij de rechtbank een bedrag van € 300,- heeft vastgesteld voor immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering tot tenuitvoerlegging in een andere zaak afgewezen, omdat de ISD-maatregel werd opgelegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/241191-25 en 13/109110-24 (TUL)
Datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
zonder vaste woon- of verblijfadres in Nederland,
nu gedetineerd in [P.I.]

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. de Haas, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Stronkhorst, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, naar voren hebben gebracht. Daarnaast is [deskundige] , reclasseringswerker, als deskundige gehoord.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich telkens op 11 september 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
bedreiging van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of verkrachting;
wederspannigheid.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen en heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd. Zij heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de volgende uitlatingen: ´
als één iemand mij aanraakt, ga ik om mij heen slaan, niemand raakt mij aan’, ‘wacht maar, jullie zijn niet van mij af, kankermongool’,en
‘jij bent straks de eerste persoon, die ik in elkaar sla’,omdat er in deze gevallen geen sprake is van een strafbare bedreiging.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van beide feiten primair vrijspraak bepleit. Allereerst heeft zij hiertoe aangevoerd dat verdachte ontkent. Daarnaast heeft zij zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat de verbalisanten zich hooguit beledigd kunnen hebben gevoeld, maar niet bedreigd. Gelet op de context kon geen redelijke vrees zijn ontstaan. Ten aanzien van feit 2 heeft zij aangevoerd dat de verbalisanten niet handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, omdat zij in strijd met de ambtsinstructie een stroomstootwapen hebben getrokken en op verdachte hebben gericht.
Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van feit 2 partieel moet worden vrijgesproken van het eerste, derde en vierde gedachtestreepje en van het onderdeel van de tenlastelegging dat specifiek ziet op [slachtoffer 1] .
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank is, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier, van oordeel dat de bedreiging wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De rechtbank verwerpt het verweer dat de verbalisten enkel zouden zijn beledigd en dat er bij de verbalisanten geen daadwerkelijke vrees zou zijn ontstaan. Voornoemde is voor een bewezenverklaring van bedreiging niet vereist; slechts is vereist dat de bedreigende uitingen in het algemeen een redelijke vrees voor geweld kunnen opwekken (zie Hoge Raad 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659). Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake gelet op de aard en inhoud van de uitlatingen die dreigend en agressief zijn. Dat deze uitlatingen als ‘competitief humoristisch’ moeten worden opgevat zoals verdachte heeft betoogd, volgt de rechtbank niet, gelet op de aard en inhoud van de uitlatingen. Deze bedreigingen zijn te kwalificeren als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (‘
schiet mij dood dan, ik schiet jou dood’, ik ga je schieten, mocro maffia gaat komen die ook gaat schieten, kankerhoer, ik ga je dood maken, ik ga je moeder schieten, ik ga je broer schieten’, ik schiet jou en je collega’s dood’, ‘ik ga jullie allemaal doodschieten binnenkort’, ik ga jullie allemaal doodmaken’.).
Voor de overige tenlastegelegde uitingen wordt verdachte vrijgesproken. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat enkel door de uitlating ‘
ik neuk je moeder, ik neuk je dochter’de redelijke vrees kon ontstaan dat dit daadwerkelijk zou gebeuren. Dit geldt ook voor de uitlating “
ik heb connecties met de onderwereld, [naam 1] , [naam 2] , ze gaan jullie vermoorden”.Tot slot is de rechtbank, evenals de officier van justitie en raadsvrouw, van oordeel dat de uitlatingen “
als één iemand mij aanraakt, ga ik om mij heen slaan, niemand raakt mij aan”en ´
wacht maar, jullie zijn niet van mij af, kankermongool,en
‘jij bent straks de eerste persoon, die ik in elkaar sla’geen strafrechtelijke bedreiging opleveren.
4.3.2.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank acht, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier, bewezen dat verdachte zich tijdens zijn aanhouding heeft verzet. De tenlastegelegde wederspannigheid is bewezen. Gelet hierop is de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat ook het eerste, derde en vierde gedachtestreepje en het onderdeel van de tenlastelegging dat specifiek ziet op [slachtoffer 1] bewezen kunnen worden.
De rechtbank verwerpt het verweer dat de verbalisanten niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening handelden. Blijkens artikel 12c onder 1 sub a van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie) is het gebruik van een stroomwapen geoorloofd om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd wapen bij zich heeft en dit tegen een persoon zal gebruiken of aanstonds ander geweld tegen personen zal gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval sprake was van de laatste situatie. Verdachte had op dit moment al meerdere dreigende uitlatingen gedaan, waaronder: ‘
schiet mij dood dan, ik schiet jou dood’. Daarna deed verdachte zijn broek uit, nam hij een vechthouding aan, spande hij zijn spieren aan en heeft hij het volgende gezegd: ‘
als één iemand mij aanraakt, ga ik om mij heen slaan, niemand raakt mij aan’. Daarnaast heeft de betreffende verbalisant zich gehouden aan de tevens in de Ambtsinstructie opgenomen bepaling inhoudende dat onmiddellijk voordat het stroomstootwapen zal worden gebruikt op niet mis te verstane wijze gewaarschuwd zal worden dat indien niet onverwijld een gegeven bevel wordt opgevolgd, het stroomstootwapen gebruikt zal worden. De desbetreffende verbalisant heeft dus gehandeld overeenkomstig de Ambtsinstructie en daarmee in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van feit 1:
op 11 september 2025 te Amsterdam, verbalisanten van de politie Eenheid Amsterdam, en van de politie Eenheid Noord-Holland, te weten, [slachtoffer 1] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, [slachtoffer 2] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, [slachtoffer 3] , hoofdagent bij de eenheid Noord-Holland, [slachtoffer 4] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, [slachtoffer 5] , werkzaam als hoofdagent bij de eenheid Amsterdam en [slachtoffer 6] , werkzaam als aspirant agent bij de eenheid Amsterdam, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door de volgende woorden toe te voegen:
- “schiet mij dood dan, ik schiet jou dood”,
- “ik ga je schieten, mocro maffia gaat komen die ook gaat schieten, kanker hoer, ik ga je dood maken, ik ga je moeder schieten, ik ga je broer schieten”,
- “ ik schiet jou en je collega’s dood”,
- “ik ga jullie allemaal doodschieten binnenkort” en
- “ ik ga jullie allemaal doodmaken”.
ten aanzien van feit 2:
op 11 september 2025 te Amsterdam, zich met geweld en bedreiging met geweld, heeft verzet tegen ambtenaren, te weten, [slachtoffer 1] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, [slachtoffer 2] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, [slachtoffer 3] , hoofdagent bij de eenheid Noord-Holland, [slachtoffer 4] , werkzaam als agent bij de eenheid Amsterdam, [slachtoffer 5] , werkzaam als hoofdagent bij de eenheid Amsterdam en [slachtoffer 6] , werkzaam als aspirant agent bij de eenheid Amsterdam, allen werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte
- door zich aan de aanhouding te onttrekken, en
- door zich te verweren en zich met kracht in tegengestelde richting te bewegen en
- door zich uit de greep van de agenten los te rukken en
- door zijn spieren aan te spannen en een vechthouding aan te nemen en
- door om zich heen te schoppen en te slaan
- door een of meer verbalisanten uit evenwicht proberen te krijgen,
en ten aanzien van [slachtoffer 1] :
in de vinger van voornoemde [slachtoffer 1] te knijpen, die vinger in de verkeerde richting te buigen en met gebalde vuist tegen het gezicht van die voornoemde [slachtoffer 1] te stompen.

5.5. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

6.1.
Strafeis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat aan de verdachte
onvoorwaardelijk de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige daders
(ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat bij bewezenverklaring aan verdachte een straf conform voorarrest moet worden opgelegd. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet voldoet aan de ‘zachte criteria’ voor oplegging van de ISD-maatregel en dat er geen sprake is van stelselmatigheid. Subsidiair heeft zij verzocht om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich zeer agressief gedragen naar een aantal ambtenaren. Door het uiten van bedreigende woorden heeft hij een voor hen intimiderende en angstige situatie geschapen. Door zo te handelen heeft de verdachte geen enkel respect getoond voor deze ambtenaren als personen maar ook voor het werk dat zij deden in het uitoefenen van hun functie. Niet alleen kunnen bedreigingen voor de desbetreffende ambtenaren ingrijpende gevolgen hebben voor hun werkplezier en functioneren, tevens kunnen onrust en gevoelens van onveiligheid bij deze ambtenaren en binnen de samenleving in het algemeen hierdoor worden versterkt. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid. Verdachte heeft daarmee de verbalisanten in hun taakuitoefening gedwarsboomd waardoor bij een van hen letsel is ontstaan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 2 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden vaker
onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. De rechtbank weegt dit in
strafverzwarende zin mee.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa van 18 november 2025, opgemaakt door [deskundige] . Dit rapport houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in:
Verdachte kent een lange geschiedenis van veroordelingen en politiemeldingen. Er is een
delictpatroon ten aanzien van het plegen van vermogensdelicten (oplichting en fraude) en het plegen van geweldsdelicten tegen beroepsbeoefenaars. In 2019 werd de onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte opgelegd, deze liep van 20 november 2019 tot en met 2 december 2021. Inmiddels voldoet verdachte opnieuw aan de criteria van de ISD-maatregel.
Verdachte kent problemen op alle leefgebieden en er worden geen beschermende factoren gezien. Verdachte beschikt niet over huisvesting, dagbesteding of een inkomen. Er is sprake van schuldenproblematiek, verslavingsproblematiek en er zijn aanwijzingen voor psychiatrische problematiek. Verdachte is niet bekend bij de hulpverlening, hij wordt gezien als een zogenoemde zorgmijder. De ISD-maatregel uit 2019/2021 heeft verdachte volledig intramuraal doorlopen, hij wenste niet mee te werken aan diagnostiek, behandeling of begeleiding.
Aan reclasseringstrajecten heeft verdachte in het verleden niet mee willen werken. Voor onderhavig rapport heeft de verdachte zijn medewerking getoond door in gesprek te gaan met de reclassering. Ondanks dat verdachte aangeeft dat hij openstaat voor hulp, wordt er geen intrinsieke motivatie gezien voor gedragsverandering. Verdachte staat niet open voor diagnostiek, (verslavings)behandeling of begeleiding. Het lukt verdachte niet om hulpvragen te formuleren, ook niet als hij hierin gestuurd wordt tijdens het adviesgesprek met extra open vragen.
Verdachte laat de neiging zien om vragen met vragen te beantwoorden, zijn situatie en problemen te bagatelliseren en de oorzaak van de problemen buiten zichzelf te leggen. De motivatie van verdachte om mee te werken aan een adviesgesprek met de reclassering is volgens Reclassering Inforsa voornamelijk gericht op de optie van een schorsing preventieve hechtenis.
Reclassering Inforsa acht de inzet van diagnostiek, behandeling, dagbesteding, begeleid wonen en financiële hulp geïndiceerd om te komen tot verlaging van het hoge recidive risico. Echter door de afwijzende houding van verdachte naar de reclassering en hulpverlening, het ontbreken van intrinsieke motivatie en probleembesef, achten zij een reclasseringskader met bijzondere voorwaarden niet uitvoerbaar.
De deskundige, [deskundige] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting
bevestigd en toegelicht.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage en het strafblad, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering
bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer
actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich
opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste
twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis
bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan
aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die
houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. De
rechtbank overweegt op basis van het hiervoor genoemde reclasseringsrapport en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige, dat er geen reële alternatieven
zijn om het recidiverisico in te perken en om de problematiek van verdachte te
behandelen. Eerder opgelegde drangkaders zijn onvoldoende gebleken om het recidiverisico in te perken en om tot gedragsverandering te komen en er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen oplegging van deze maatregel, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen reden om deze maatregel niet op te leggen. Zij zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.
Maximale termijn van twee jaren
De rechtbank is van oordeel dat het van groot belang is dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen, om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, en zodat de recidive van de verdachte wordt ingeperkt ter optimale bescherming van de maatschappij.
Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen en de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
7. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 400,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden
toegewezen. De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subisidiar heeft zij verzocht het bedrag te matigen.
7.1.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt als volgt. Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.
Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de vergoeding voor immateriële schade naar billijkheid op € 300,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [slachtoffer 1] wordt als extra waarborg voor betaling aan haar de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/109110-24

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13/109110-24 afwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Toewijzing van de vordering vindt de rechtbank daarom niet opportuun.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 180 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:
wederspannigheid.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte]daarvoor strafbaar.
Legt op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van twee jaar.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 300,- (driehonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 september 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 300,- (driehonderd euro), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 september 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 6 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 13/109110-24
Wijst afde vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/109110-24.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. van den Brink, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en J.C.E. Krikke, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2025.
[....]