Op 10 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die is overleden. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en de verdediging door de raadsvrouw, mr. S. van den Berg. De tenlastelegging omvatte bedreigingen aan het adres van GGD-medewerkers en wederrechtelijke binnenkomst in een woning, alsook diefstal en belediging. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 26 juli 2025 is overleden. Gezien artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht, dat stelt dat het recht tot strafvordering vervalt bij overlijden van de verdachte, heeft de rechtbank geoordeeld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. De rechtbank heeft derhalve de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte. Dit vonnis is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 oktober 2025.