8.2.Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden inremand prisons
Verstrekking koosjere maaltijden
Het standpunt van de raadsman
De opgeëiste persoon is Joods en daarom moet hij koosjer eten. De opgeëiste persoon zal bij het verkrijgen van koosjere maaltijden mogelijk afhankelijk zijn van familie, waarvan bezoek maar zeer beperkt mogelijk is. Primair heeft de raadsman daarom verzocht om de overlevering op grond van artikel 11 OLW te weigeren. Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden om aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen, waarbij informatie moet worden verkregen ten aanzien van het verkrijgen van koosjere maaltijden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit verweer van de raadsman geen specifiek standpunt ingenomen.
Het oordeel van de rechtbank
In zijn arrest van 5 april 2016 (ECLI:EU:C:2016:198, Aranyosi en Căldăraru, punt 78) heeft het Hof van Justitie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel of sprake is van een reëel gevaar moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, dient de rechtbank te beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen.
De rechtbank vat het standpunt van de raadsman zo op als heeft hij willen betogen dat gedetineerden in Polen niet in de gelegenheid worden gesteld om hun geloof actief te belijden en daarom in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat zij onmenselijk of vernederend worden behandeld. De raadsman heeft dit standpunt niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd. De rechtbank is ook ambtshalve niet met dergelijke gegevens bekend.
De rechtbank kan daarom op niet de conclusie trekken dat overgeleverde personen in Polen in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling lopen op dit punt.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar voor onmenselijke behandeling in detentie bestaat op dit punt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Het eerder aangenomen algemene reële gevaar ten aanzien van hetRemand regime
De rechtbank heeft eerder geoordeelddat sprake is van een algemeen reëel gevaar van
schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op
13 november 2025 de volgende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:
“1. In which remand prison will Mr. [de opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender?
2. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will Mr. [de opgeëiste persoon] have in a multi-occupancy cell? In case Mr. [de opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please answer the following question(s):
3. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours per day outside of his cell?
4. If not, how many hours per day on average would Mr. [de opgeëiste persoon] , under normal
circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all
opportunities offered to him to leave his cell?
The Court requests information on:
- Which activities the wanted person can participate in;
-The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library,
common rooms, etc.);
The frequency of such activities and how much time the wanted person can access
the common areas outside of the cell;
- Whether the permission to participate in activities or access to common areas
is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case,
which conditions or procedural rules; and/or
- Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general
risk of ill-treatment has been discounted.”
De Poolse autoriteiten hebben de door het IRC geformuleerde vragen op 17 november 2025 als volgt beantwoord:
“In response to your e-mail of 13/11/2025. we, the Regional Court in Poznan, 3rd Criminal Division, would like to inform you that:
1. At present, it is not possible to specify the particular remand centre where [de opgeëiste persoon] will be held; however, it is usually the centre closest to the court that will be hearing the case of the remanded person.
2. According to Polish law, the floor space per inmate in a residential cell must be no less than 3 m2. In addition, each cell is equipped with appropriate accommodation facilities providing the inmate with a separate place to sleep. Furthermore, the cell must provide adequate hygiene conditions, sufficient air supply and temperature appropriate for the season, as well as lighting in accordance with the standards specified for living quarters.
3. It is not possible to guarantee that Mr [de opgeëiste persoon] will be allowed to spend at least two hours outside his cell. Under Polish law, prisoners enjoy the rest necessary for health, in particular at least one hour of walking and eight hours of sleep per day. Furthermore, remand prisoners who demonstrate outstanding compliance with internal order in the remand centre and the rules set out in the organisational and disciplinary regulations for the execution of remand detention may be awarded rewards - one of which is the opportunity to take a longer or additional walk, beyond the norm set for each prisoner.
4. We cannot specify the exact amount of time that Mr [de opgeëiste persoon] could spend outside his cell under normal circumstances if he took advantage of all the opportunities to leave his cell that were available to him. Each prisoner is assessed and classified by a penitentiary commission, and that affects their rights and obligations. Furthermore, the schedule of cultural and educational activities is varied, aimed at different groups of prisoners, and is not fixed. If Mr. [de opgeëiste persoon] is convicted and imprisoned in a penitentiary unit, it will be the penitentiary court or penitentiary commission that will specify the periods of time during the day and on specific days of the week when he has the right to leave his place of permanent residence or other designated place for a period not exceeding 12 hours per day, in particular for the purpose of: performing religious practices or using religious services, caring for a minor, an infirm or sick person, education and self-education, and performing one's own creative work, using cultural, educational and sports facilities or activities, maintaining tics with family or other loved ones, and making necessary purchases. Furthermore, it should be noted that remand prisoners who demonstrate outstanding compliance with internal order in the remand centre and the rules set out in the organisational and disciplinary regulations for the execution of remand detention, may be awarded rewards, one of which is permission to participate more frequently in cultural and educational activities, physical culture and sports.”
Op 8 december 2025 hebben de Poolse autoriteiten aanvullende vragen van het IRC als volgt beantwoord:
“The Regional Court in Poznan, 3rd Criminal Division, in response to the letter, informs that after the transfer, the defendant will most likely be placed in the Remand Centre in Poznan, as it is the closest remand centre to the Regional Court in Poznan, where the cases against the defendant are being heard. With regard to the time Mr [de opgeëiste persoon] will be able to spend outside his cell, we confirm the information provided in the letter of 17 November 2025.”
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten gegeven detentiegarantie onvoldoende is om het gevaar voor de opgeëiste persoon van schending van zijn grondrechten weg te nemen. Ook moet nadere informatie worden verkregen ten aanzien van de mogelijkheid van contact met een Nederlandse advocaat in verband met de nog lopende strafzaken in Nederland.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten gegeven detentiegarantie onvoldoende is. Hoewel uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering kan beschikken over een persoonlijke celruimte van 3 m2 blijkt niet dat hij twee uur per dag buiten de cel mag verblijven. De officier van justitie heeft daarom verzocht om nadere informatie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat met de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie het eerder vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. Hiervoor is het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid in Poznań wordt gedetineerd en dat 3 m2 persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel wordt gegarandeerd.
Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2
in ieder gevalweggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig met betrekking tot de vraag hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden – wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen – gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, de duur van die activiteiten, én de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn. Dit soort informatie ontbreekt op dit moment in de onderhavige zaak, waardoor voor de opgeëiste persoon het bedoelde algemene reële gevaar niet kan worden uitgesloten.
Ten aanzien van het contact met de buitenwereld, waaronder ook contact met advocaten in het buitenland, is het de rechtbank inmiddels ambtshalve uit andere Poolse vervolgingszaken bekend dat dit ‘
as soon as possible, without undue delay’kan plaatsvinden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen, zoals door de raadsman is verzocht.
De rechtbank stelt vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank acht het hier echter niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet.
Dit betekent dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van dertig dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (op 29 januari 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 17 januari 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij ook op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW de beslistermijn verlengen met zestig dagen onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming met zestig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.