ECLI:NL:RBAMS:2025:10541

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
13/108643-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van overlevering op basis van detentieomstandigheden in Frankrijk

Op 11 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Franse autoriteiten. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1995 in Irak, die momenteel in Nederland gedetineerd is. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie tot behandeling van het EAB beoordeeld, waarbij eerder tussenuitspaken zijn gedaan over de detentieomstandigheden in Frankrijk. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een individueel reëel gevaar bestaat voor schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, en dat de aanvullende informatie van de Franse autoriteiten niet heeft geleid tot gewijzigde omstandigheden die een overlevering zouden rechtvaardigen. De rechtbank heeft daarom besloten geen gevolg te geven aan het EAB en heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Deze beslissing is genomen op basis van artikel 11 van de Overleveringswet, waarbij de rechtbank oordeelt dat de detentieomstandigheden in Frankrijk niet voldoen aan de vereisten voor humane behandeling. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/108643-25
Datum uitspraak: 11 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 24 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 februari 2025 door de
Procureur de la République près le
Tribunal Judiciaire de Lille, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] (Irak),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De periode van 11 juni 2025 tot en met 11 november 2025
Voor een beschrijving van het procesverloop over deze periode verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 25 november 2025. [2]
Tussenuitspraak 25 november 2025
Bij tussenuitspraak van 25 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten, nu met de aanvullende informatie het eerder vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW is de beslissing over de overlevering aangehouden, omdat een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden uitgesloten. De rechtbank heeft hier een redelijke termijn van veertien dagen aan verbonden en heeft geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.
Zitting 11 december 2025
De behandeling van het EAB is met instemming van de raadsvrouw en de officier van justitie in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 11 december 2025, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. D.J. Troost, die waarneemt voor mr. K.C. van de Wijngaart, beiden advocaat te Rotterdam.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Iraakse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraken van 15 juli 2025 en 15 oktober 2025

De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van 15 juli 2025 [3] al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW en de strafbaarheid van de feiten.
De rechtbank stelt verder vast dat bij de tussenuitspraak van 15 oktober 2025 [4] al is geoordeeld over de weigeringsgrond van artikel 13 OLW.
De overwegingen in deze tussenuitspraken moeten als hier herhaald en ingelast beschouwd.

4.Artikel 11 OLW; Franse detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank verwijst naar haar overwegingen in de tussenuitspraken van 15 juli 2025, 5 augustus 2025 [5] , 15 oktober 2025 en 25 november 2025 ten aanzien van de detentieomstandigheden, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
De Franse autoriteiten hebben op 3 december 2025, voor zover relevant, het volgende medegedeeld:
“With reference to the European Arrest Warrant (EAW) issued on 4 February 2025 against [de opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Iraq), and your request for further information dated 25 November 2025, I am unfortunately unable to provide you with any additional or new information.
The occupancy rate of the detention centre varies, making it difficult to provide guarantees regarding individual space.
Cell capacity is determined by the legal provisions of the circular of 16 March 1988 with regard to floor space.
In addition, prisoners serving sentences at the ANNOEULLIN Penitentiary Centre have access, in addition to walks, to a range of cultural and socio-cultural activities, healthcare, work and training, which greatly limits the time spent in their cells. (…)”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de aanvullende informatie niet heeft geleid tot gewijzigde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. De raadsvrouw heeft verzocht geen gevolg te gegeven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich aangesloten bij het standpunt van de raadsvrouw.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak van
25 november 2025 gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Franse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt. In de tussenuitspraak van 25 november 2025 heeft de rechtbank overwogen dat de Franse autoriteiten geen informatie kunnen verschaffen over de mate van reductie van de individuele leefruimte ten opzichte van de vereiste minimale 3 m². Ook met de aanvullende informatie van 3 december 2025 is die informatie niet verstrekt, waardoor de rechtbank nog steeds niet kan vaststellen dat de reductie enkel in geringe mate zal plaatsvinden.
De rechtbank is daarom met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de aanvullende informatie van 3 december 2025 niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. Dit terwijl de gegeven redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken.
De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW en zal op grond van artikel 11, vierde lid, juncto artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee is de overleveringsprocedure beëindigd.

5.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.

6.Beslissing

GEEFTmet toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW
geen gevolg aan het EAB;
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijkin de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
4.Rb Amsterdam 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7733.