ECLI:NL:RBAMS:2025:10540

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
13-272334-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer family life en gelijkstelling

De rechtbank Amsterdam behandelde op 11 december 2025 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Oostenrijk voor de overlevering van een persoon die een vrijheidsstraf van ruim zeven jaar moet ondergaan. De opgeëiste persoon was aanwezig en werd bijgestaan door een advocaat en tolk.

De rechtbank onderzocht onder meer de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) en concludeerde dat hoewel niet aan alle formele vereisten was voldaan, de overlevering niet geweigerd werd omdat de opgeëiste persoon voldoende op de hoogte was van de procedure en zijn verdedigingsrechten kon uitoefenen. Het verweer dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moest worden met een Nederlander en daardoor overlevering geweigerd moest worden, werd verworpen wegens gebrek aan bewijs van duurzaam verblijfsrecht.

Daarnaast werd het beroep op het recht op family life volgens artikel 7 Handvest Pro EU afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de beperking inherent is aan overlevering binnen de EU en dat geen uitzonderlijke omstandigheden waren aangetoond die een weigering rechtvaardigen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering aan Oostenrijk wordt daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Oostenrijk toe ondanks verweren op grond van family life en gelijkstelling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-272334-25
Datum uitspraak: 24 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 28 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 november 2014 door het
Landesgericht Feldkirch, Oostenrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Oostenrijk) op [geboortedag] 1985,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 december 2025, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.Y. Kekik, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Turkse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van 18 september 2013
, final and legally binding since 21.03.2014,van het
Landesgericht Feldkirch,met referentie 52 Hv 33/13v.
Blijkens de aanvullende informatie van 5 november 2025 heeft een procedure in hoger beroep plaatsgevonden wat heeft geleid tot de beslissing van 21 maart 2014 van het
Oberlandesgericht Innsbruck,met referentie 11 Bs 43/14g (hierna: het arrest).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zeven jaar, twee maanden en twintig dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro ten aanzien van de procedure in hoger beroep niet van toepassing is nu sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a en b, OLW.
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom de beslissing van 21 maart 2014 van het
Oberlandesgericht Innsbruckaan artikel 12 OLW Pro toetsen.
Anders dan de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat geen sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Hoewel de opgeëiste persoon blijkens de aanvullende informatie van 5 november 2025 in persoon is gedagvaard, is niet gebleken dat de opgeëiste persoon daarbij in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. De rechtbank stelt daarnaast vast dat ook geen sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De aanvullende informatie vermeldt namelijk alleen dat de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door een advocaat, maar niet dat de opgeëiste persoon de advocaat heeft gemachtigd namens hem hoger beroep in te stellen en de verdediging te voeren.
De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht hiervoor van belang dat blijkens de aanvullende informatie de oproep voor de procedure in hoger beroep in persoon aan de opgeëiste persoon is uitgereikt op 3 maart 2014. De opgeëiste persoon was dus van de procedure in hoger beroep tegen hem op de hoogte zodat hij gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten. Het toestaan van de overlevering levert daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op.

5.Strafbaarheid

5.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het eerste feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Oostenrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het tweede feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het tweede feit levert naar Nederlands recht op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft, ondanks dat stukken ter onderbouwing van gelijkstelling ontbreken, toch verzocht de opgeëiste persoon met een Nederlander gelijk te stellen, de overlevering te weigeren en tot strafovername over te gaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijk kan worden gesteld nu enige onderbouwing ontbreekt.
Het oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Dat de opgeëiste persoon met een Nederlander gelijk zou kunnen worden gesteld, is niet met stukken onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Dit betekent dat niet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de tweede voorwaarde. De rechtbank verwerpt het verweer.

7.Artikel 7 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (family life)

De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 11 OLW Pro, omdat overlevering van de opgeëiste persoon aan Oostenrijk, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het recht op
family lifezoals bedoeld in artikel 7 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). De raadsman heeft in dat verband verwezen naar de ingezonden brief van de partner van de opgeëiste persoon en naar het contact dat hij met zijn familieleden in Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft niemand in Oostenrijk en als hij daar vast komt te zitten, zal het contact met de familie in Nederland door de afstand zeer beperkt zijn.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een inbreuk op het recht op
family lifeinherent is aan overlevering. De raadsman heeft niet onderbouwd waarom in de zaak van de opgeëiste persoon sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat overlevering, gelet op artikel 52, eerste lid, Handvest, een toegestane beperking is van de uitoefening van het hiervoor genoemde recht op
family life. Vanwege de tijdelijke aard van de beperking, is de verhouding tussen de belangen die overlevering beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, niet onevenredig. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden zal het familie- en gezinsleven van een opgeëiste persoon zwaarder wegen dan het legitieme doel dat met de overlevering wordt nagestreefd. [5] De rechtbank is niet gebleken dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden in de situatie van de opgeëiste persoon. De omstandigheid dat het contact tussen de opgeëiste persoon en zijn familie in Nederland door overlevering beperkt zal zijn is, wat daar verder van zij, immers inherent aan overlevering naar een andere lidstaat binnen de Europese Unie. De beperking in de uitoefening van het recht op
family lifevormt daarom geen beletsel voor overlevering.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie en 2, 5 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan het
Landesgericht Feldkirch, Oostenrijk, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Zie o.a. HR, 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1044