Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:10307

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
10634264 \ CV EXPL 23-10431
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230v BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenrechtelijke toetsing leaseovereenkomst met proceskostenveroordeling

De zaak betreft een procedure tussen een leasemaatschappij en een consument over onbetaalde leasetermijnen, eigen risico schades, doorbelaste boetes en incassokosten. De consument is in verzuim gesteld en niet verschenen, waardoor verstek is verleend.

De kantonrechter beoordeelt de overeenkomst op afstand en toetst deze aan de informatieplichten uit het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijn 93/13 EG over oneerlijke bedingen. De leaseovereenkomst voldoet aan de informatieplichten en het prijsbeding is transparant en niet oneerlijk.

De verhoging van de leaseprijs wegens gestegen wegenbelasting en de eigen risico bedragen voor schades worden als rechtmatig en niet onredelijk beoordeeld. Echter, het beding dat boetes en administratiekosten altijd door de consument moeten worden betaald, ook als deze onterecht zijn, wordt als oneerlijk aangemerkt. Eveneens wordt het beding over buitengerechtelijke incassokosten afgewezen omdat het afwijkt van dwingend recht.

De kantonrechter veroordeelt de consument tot betaling van €1.267,55 aan leasetermijnen en eigen risico, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding, en tot betaling van proceskosten. De vorderingen op boetes en incassokosten worden afgewezen.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering toe voor leasetermijnen en eigen risico, maar wijst vorderingen op boetes en incassokosten af wegens oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10634264 \ CV EXPL 23-10431
Vonnis van 16 december 2025
in de zaak van
de naamloze vennootschap
LEASEPLAN NEDERLAND N.V.,
thans genaamd AXUS NEDERLAND N.V., handelende onder de naam AYVENS NEDERLAND,
gevestigd te Almere,
eisende partij,
gemachtigde: Trust Krediet Beheer Holding B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 augustus 2025
- de akte van eisende partij, met producties.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld zich over bepaalde onderdelen van de vordering nader uit te laten. Wat eisende partij heeft aangevoerd komt hierna, voor zover van belang, aan de orde.
2.2.
Eisende partij stelt dat de overeenkomst is ingegaan op 27 juli 2018 en heeft geduurd tot 15 september 2022. De auto is toen ingeleverd door gedaagde partij. Tot laatstgenoemde datum is gedaagde partij daarom in beginsel leasetermijnen verschuldigd.
2.3.
Eisende partij heeft in haar akte het gevorderde bedrag conform instructie in het tussenvonnis gespecificeerd. Daarbij is een creditbedrag van € 445,53 vermeld, waarvan uitgegaan wordt dat dit leasebedragen betreft, reden waarom dit in mindering wordt gebracht op de gevorderde leasetermijnen. Die bedragen dan in totaal € 742,55.
2.4.
Eisende partij heeft voldoende gesteld over de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen en hoe is voldaan aan de informatieplichten. Sprake is van een overeenkomst op afstand, zodat de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing zijn. Alle essentiële informatie als bedoeld in dat artikel is opgenomen in de overeenkomst, die gedaagde partij heeft kunnen doorlezen alvorens deze digitaal te ondertekenen. Met het plaatsen van een digitale handtekening direct onder de overeenkomst heeft gedaagde partij het aanbod van eisende partij – waaruit onmiskenbaar een betalingsverplichting volgt – aanvaard. Een bestelknop als bedoeld in artikel 6:230v lid 3 BW is onder genoemde omstandigheden niet aan de orde. Eisende partij heeft dan ook voldaan aan haar informatieplichten.
2.5.
De overeenkomst moet tevens worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Kernbedingen, zoals bedingen over de prijs, dienen alleen op oneerlijkheid te worden getoetst als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu het prijsbeding in de onderhavige overeenkomst op transparante wijze in de overeenkomst staat, is verdere toetsing van dat beding aan de richtlijn niet aan de orde.
2.6.
De verhoging van de maandelijkse leaseprijs met enkele euro’s ten opzichte van de leaseprijs genoemd in de overeenkomst komt volgens eisende partij door de gestegen wegenbelasting, die eisende partij op grond van artikel 9 onder Pro a van de leaseovereenkomst en artikel 14 van Pro de Algemene Voorwaarden Keurmerk Private Lease (hierna: AV Keurmerk) één op één aan gedaagde partij doorbelast. De bedingen die aan deze verandering van de leaseprijs ten grondslag liggen zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat wijzigingen in de belastingen buiten de invloedsfeer van eisende partij liggen en niet vooraf voorzienbaar waren of konden worden verdisconteerd in de leaseprijs. In ieder geval brengen de bedingen geen aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen teweeg. Nu de gevorderde onbetaald gelaten leasetermijnen verder niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zijn deze toewijsbaar.
2.7.
Voor de in rekening gebrachte bedragen aan eigen risico vanwege schades geldt dat deze onderdelen van de vordering zijn gebaseerd op artikel 25 van Pro de leaseovereenkomst en op de artikelen 25 en 26 AV Keurmerk. Daarin is bepaald dat het risico op schade bij eisende partij ligt, maar dat eisende partij per schadegeval maximaal € 300,00 bij gedaagde partij in rekening mag brengen, of zoveel minder als de schade lager is. Deze bedingen zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden. In totaal is een bedrag van € 450,00 + € 75,00 = € 525,00 aan eigen risico vanwege schades in rekening gebracht.
Deze bedragen komen niet onrechtmatig of ongegrond voor.
2.8.
Voor wat betreft de doorbelaste parkeerboetes, de bekeuring van het CJIB en de administratiekosten van in totaal € 599,53 verwijst eisende partij naar artikel 13 van Pro de leaseovereenkomst. Dit artikel luidt:
Krijgen wij een bekeuring of parkeerboete omdat u of iemand anders iets heeft gedaan met de auto? Dan betaalt u die. U betaalt ook andere kosten die met de boete te maken hebben. Voor een bekeuring betaalt u geen administratiekosten maar voor elke aanmaning betaalt u € 12 aan ons.
Daarnaast is van belang artikel 44 van Pro de AV Keurmerk:
U bent aansprakelijk voor alle boetes, naheffingsaanslagen parkeerbelasting en de gevolgen van andere maatregelen in verband met het gebruik van het voertuig. Dat geldt ook als de boetes en dergelijke aan de leasemaatschappij worden opgelegd omdat het kenteken op haar naam staat. In de Aanvullende voorwaarden is vermeld hoe de boetes worden afgehandeld. De leasemaatschappij kan een bedrag aan administratiekosten in rekening brengen voor de behandeling van bekeuringen en dergelijke. Het bedrag daarvan wordt in de leaseovereenkomst vermeld.
2.9.
Eisende partij vindt het beding in artikel 13 van Pro de leaseovereenkomst niet oneerlijk, omdat dit beding op transparante wijze de verantwoordelijkheid voor verkeersboetes bij de consument legt, die de auto feitelijk gebruikt. De aanmaningskosten zijn niet onredelijk hoog. Eisende partij legt verder uit dat in het geval van parkeerboetes van de gemeente zij deze zelf direct betaalt en deze één op één doorfactureert aan de lessee. Bekeuringen van het CJIB betaalt eisende partij niet direct. De lessee krijgt eerst de gelegenheid de boete zelf te betalen. Wanneer dat niet gebeurt, ontvangt eisende partij vanuit het CJIB een aanmaning, waarna eisende partij de boete alsnog zelf betaalt en deze vervolgens aan gedaagde partij factureert, inclusief administratiekosten, aldus – steeds – eisende partij.
2.10.
Door de formulering van het beding moet de consument eisende partij altijd schadeloos stellen en de bijkomende kosten vergoeden, soms vermeerderd met aanmaningskosten, óók als zo’n schadeloosstelling of kosten normaliter niet voor de consument behoren te komen en ook als de boete onterecht blijkt te zijn. Daardoor wordt het evenwicht ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. Dit geldt temeer nu veelal een mogelijkheid bestaat om boetes te verleggen naar de consument, dan wel als gemachtigde te laten optreden in een bezwaarprocedure. Dat zij dat ten aanzien van de CJIB boetes ook zo doet, maakt dat niet anders, omdat dit de toepassing van het beding betreft. Deze handelswijze blijkt niet uit het beding zelf.
2.11.
Nu het beding als oneerlijk is aangemerkt, is gedaagde partij daar niet aan gebonden, met als gevolg dat gedaagde partij eisende partij niet schadeloos hoeft te stellen voor bekeuringen of parkeerboetes, noch in dat verband administratiekosten is verschuldigd. Het gedeelte van de vordering dat daarop betrekking heeft, is niet toewijsbaar.
2.12.
In de leaseovereenkomst staat in artikel 14 onder Pro e een rentebeding. Nu het beding verwijst naar en aansluit bij de wettelijke rente, is het beding niet oneerlijk.
2.13.
In artikel 14 onder Pro f van de leaseovereenkomst staat een beding over buitengerechtelijke kosten. Het artikel luidt:
Moeten wij advocaten, deurwaarders of anderen inschakelen om ons geld van u te krijgen? Dan betaalt u die incassokosten. Wij houden ons daarbij aan de wettelijke staffel buitengerechtelijke incassokosten.
2.14.
Artikel 21 van Pro de AV Keurmerk gaat ook over buitengerechtelijke kosten. Hoewel dat artikel op zichzelf niet oneerlijk is, moet het beoordeeld worden in samenhang met artikel 14 onder Pro f van de leaseovereenkomst. Dat maakt dat het beding toch als oneerlijk wordt aangemerkt. Weliswaar wordt gerefereerd aan de wettelijke staffel voor wat betreft de hoogte van de kosten, maar door de formulering van het beding komen gemaakte buitengerechtelijke kosten altijd direct voor rekening van de consument. Dit terwijl op grond van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is, een vruchteloze aanmaning vereist is, die moet voldoen aan de eisen die de Hoge Raad daaraan heeft gesteld, voordat buitengerechtelijke kosten verschuldigd kunnen raken. Het beding wijkt dan ook ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, althans geeft eisende partij de mogelijkheid daartoe. Dat maakt het beding oneerlijk (zie ECLI:NL:HR:2023:198).
2.15.
Nu het beding over buitengerechtelijke kosten, waarop eisende partij zich beroept, althans waarop zij zich had kunnen beroepen oneerlijk is, heeft dat tot gevolg dat de buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
2.16.
In de overeenkomst staat geen beding over gerechtelijke kosten, zodat eisende partij zich in dat verband rechtsgeldig op de wettelijke regeling kan beroepen.
2.17.
Op grond van het voorgaande is aan hoofdsom toewijsbaar een bedrag van € 742,55 (onbetaald gelaten leasetermijnen) + € 525,00 (eigen risico schades) = € 1.267,55.
2.18.
Nu een deel van de hoofdsom is afgewezen, is de wettelijke rente berekend over een te hoog bedrag. De wettelijke rente is toewijsbaar over het toegewezen bedrag vanaf de datum van verzuim. Nu die datum niet is gesteld, wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van betekening van de dagvaarding.
2.19.
Gedaagde partij is in overwegende mate in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
107,32
- griffierecht
365,00
- salaris gemachtigde
204,00
(1 punt × € 204,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
743,82

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 1.267,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag, met ingang van 18 juli 2023, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 743,82, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
991