ECLI:NL:RBAMS:2025:10103

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
13/242475-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met gelijktijdige bevel tot tenuitvoerlegging van vrijheidsstraf in Nederland

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de vordering tot in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) tegen een opgeëiste persoon, geboren in 1995. Het EAB, uitgevaardigd door de Arrondissementsrechtsbank van Trier, Duitsland, betreft een vrijheidsstraf van twee jaar en zes maanden voor illegale handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a van de Overleveringswet (OLW), omdat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kan plaatsvinden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon voldoende banden met Nederland heeft en dat de overname van de tenuitvoerlegging van de straf zal bijdragen aan haar maatschappelijke re-integratie. De rechtbank heeft ook de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen tot aan de tenuitvoerlegging van de straf, met gelijktijdige schorsing van dat bevel. De beslissing is genomen na een zorgvuldige afweging van de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon en de evenredigheid van de overlevering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/242475-25
Datum uitspraak: 4 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 2 oktober 2025 (en de correctie van de vordering van 3 oktober 2025) van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 april 2025 door de Arrondissementsrechtsbank (
Landgericht) van Trier, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 november 2025 in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. M.P. Hilhorst, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van Arrondissementsrechtbank (
Landgericht) Trier van 19 september 2018, met Dossiernummer: 2a KLs 8031 Js 9340/18 (2).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 469 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op de feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Duitsland opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
telkens meerdaadse samenloop van:
het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, en
het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale, banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van haar gezinsleven en haar belangen in Nederland gevestigd. [4] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan haar maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is – naar de letter van artikel 6a, eerste en tweede lid, OLW – bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren.
Op 4 september 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) arrest gewezen in de zaak CJ. [5] In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Oftewel de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 30 september 2025 [6] heeft overwogen volgt uit het arrest van het HvJ EU - kort samengevat - dat toestemming van de beslissingsstaat vereist is voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarmee de straf is opgelegd.
In deze zaak heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het certificaat en het veroordelende vonnis op 30 oktober 2025 verstrekt. Dat betekent dat de uitvaardigende justitiële autoriteit toestemming heeft gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van de bevoegdheid om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen.
Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen onder gelijktijdige schorsing van dat bevel. Dit bevel is apart opgemaakt.

6.Evenredigheid

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een situatie waarin de opgeëiste persoon feitelijk de opgelegde rehabilitatie in Nederland reeds succesvol heeft voltooid, aangezien zij haar leven hier de afgelopen zes jaar op de rit heeft gekregen en zij de zorg heeft over twee jonge kinderen. Om die reden verzoekt de raadsvrouw overlevering te weigeren, omdat deze niets toevoegt aan het resultaat wat Duitsland voor ogen had.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het verweer van de raadsvrouw te passeren. De naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon zou de raadsvrouw in het kader van een gratieverzoek kunnen aankaarten.
Oordeel van de rechtbank
Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Duitse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsvrouw heeft aangevoerd maakt dat niet anders. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Duitse autoriteiten gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken.
Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon, is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval niet gebleken. Het verweer van de raadvrouw wordt dan ook verworpen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 57 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 5, 6a en 7 OLW.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon], aan de Arrondissementsrechtsbank (
Landgericht) van Trier, Duitsland.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde - geschorste - overleveringsdetentie
[de opgeëiste persoon] .
BEVEELT en SCHORSTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf (dit bevel is apart opgemaakt).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (