ECLI:NL:RBAMS:2025:10089

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
71/399889-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorbereidingshandelingen voor de bewerking van cocaïne in drugslab

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die samen met anderen betrokken was bij de voorbereidingshandelingen voor de bewerking van cocaïne. De verdachte vervulde een uitvoerende rol bij het opzetten van een drugslab in Friesland. De rechtbank legt de verdachte een gevangenisstraf op van 252 dagen, waarvan 152 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uren. De rechtbank volgt het afdoeningsvoorstel van het Openbaar Ministerie, maar legt een hogere taakstraf op dan in het voorstel was opgenomen, vanwege de rol van de verdachte en de straffen die aan medeverdachten zijn opgelegd. De rechtbank oordeelt dat de afwijking van het afdoeningsvoorstel niet leidt tot een wezenlijk ander oordeel, omdat het enkel de opgelegde taakstraf betreft. De verdachte is op 17 december 2024 samen met anderen aangetroffen in een cocaïnewasserij, waar een grote hoeveelheid cocaïne en chemicaliën aanwezig was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne, het bereiden van cocaïne en het voorbereiden van strafbare feiten met betrekking tot cocaïne. De rechtbank heeft de procesafspraken tussen de officier van justitie en de verdediging in acht genomen, maar heeft ook haar eigen verantwoordelijkheid genomen bij het bepalen van de straf. De rechtbank concludeert dat de opgelegde straf passend is, gezien de ernst van de feiten en de rol van de verdachte.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 71/399889-24
Datum uitspraak: 16 december 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
wonende op het adres [adres 1] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 10 september en 2 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Hagemeier, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.N. de Jonge, naar voren hebben gebracht.
Er wordt gelijktijdig vonnis gewezen in de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (71/399874-24), [medeverdachte 2] (71/399881-24), [medeverdachte 3] (71/399867-24) en [medeverdachte 4] (71/017263-25).

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd, na aanpassing als bedoeld in artikel 314a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op de zitting van 10 september 2025, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan

1. medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne op 17 december 2024 te Aldwâld;

2. medeplegen van het bereiden, bewerken en/of verwerken van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne in de periode van 10 tot en met 17 december 2024 te Aldwâld;

3. medeplegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne in de periode van 10 tot en met 17 december 2024 te Aldwâld.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
De rechtbank leest het in de tweede regel van het onder feit 3 ten laste gelegde vermelde “tezamen en in vereniging met een ander” als “tezamen en in vereniging met een of meer anderen”, omdat hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Procesafspraken en de beoordeling daarvan

De rechtbank heeft kennisgenomen van de tussen de officier van justitie en de verdediging gemaakte procesafspraken. De overeenkomst waarin deze procesafspraken zijn neergelegd is aan dit vonnis gehecht in
bijlage II.
De procesafspraken houden – kort gezegd en onder andere – in dat de officier van justitie op de zitting zal concluderen dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. De officier van justitie zal een gevangenisstraf voor de duur van 252 dagen, waarvan 152 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 168 uren subsidiair 84 dagen hechtenis vorderen. Verder zal de officier van justitie geen ontnemingsvordering indienen en niet de oplegging van de maatregel van artikel 13d Opiumwet vorderen. De verdediging zal volgens de overeenkomst geen onderzoekswensen indienen en geen bewijsverweren voeren. Beide partijen zijn daarnaast overeengekomen geen hoger beroep in te zullen stellen in het geval de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen partijen gemaakte afspraken.
De rechtbank kan alleen acht slaan op een door de officier van justitie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die
artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang, als van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
De procesafspraken zijn op de zitting van 2 december 2025 besproken met verdachte, in aanwezigheid van zijn raadsvrouw. Verdachte heeft verklaard dat hij door zijn advocaat is voorgelicht over de inhoud van de procesafspraken, volledig achter de gemaakte afspraken staat en dat hij begrijpt welke gevolgen de afspraken hebben wanneer de rechtbank daarin meegaat. De rechtbank heeft uit de verklaringen van verdachte begrepen dat hij zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken te maken.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door zijn raadsvrouw, vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie, en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten (zie Hoge Raad 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252). De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van vergewist dat de verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen de officier van justitie en de verdediging gemaakte procesafspraken.
Hoewel de officier van justitie en de verdediging het voorgaande zijn overeengekomen, heeft de rechtbank een eigen verantwoordelijkheid om antwoord te geven op de vragen van artikel 348 en 350 Sv. Zowel bij het onderzoek ter terechtzitting als in dit vonnis is de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv leidend geweest. Bij het bepalen van de straf en de motivering daarvan zal de inhoud en doorwerking van de procesafspraken worden besproken.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig de procesafspraken – op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Hierbij dient de pleegperiode van feit 2 en 3 te worden beperkt tot 16 en 17 december 2024. Voor deze feiten geldt dat verdachte op 16 december 2024 in beeld kwam en ten aanzien van feit 2 is verder van belang dat op die dag de cocaïnewasserij in productie is gegaan.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij de conclusie van de officier van justitie en heeft – overeenkomstig de procesafspraken – geen bewijsverweren gevoerd.
4.3
Oordeel van de rechtbank
Op grond van het procesdossier kunnen alle ten laste gelegde feiten worden bewezen met de door de officier van justitie op de terechtzitting genoemde pleegperioden. Verdachte is op 17 december 2024 samen met anderen in een in werking zijnde cocaïnewasserij in een loods in [plaats] aangetroffen. De loods was ingericht voor de extractie en bewerking van cocaïne uit dragermateriaal (betonmortel). In de loods is ongeveer 304 kilo betonmortel vermengd met cocaïne aangetroffen. Het NFI heeft berekend dat hieruit 85 kilo cocaïnebase kan worden gewassen, dat kan worden omgezet in 95 kilo
snuifcocaïne. Ook is in de loods 1,72 kilo geëxtraheerde cocaïne aangetroffen. Op basis van het dossier – in het bijzonder de verrichte observaties – kan worden vastgesteld dat dit drugslaboratorium een dag ervoor, op 16 december 2024, in productie is gegaan en dat verdachte hier vanaf die datum bij betrokken was, onder andere door het ophalen van medeverdachten om naar het drugslab te gaan. Verdachte hield zich dus ook samen met anderen bezig met strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de cocaïnewasserij, met het oog op onder meer het bewerken van het dragermateriaal en het verwerken van de uitgewassen cocaïne. Gelet op de hoeveelheid dragermateriaal die is aangetroffen en de mate van professionaliteit van de cocaïnewasserij stelt de rechtbank vast dat de verwerkte cocaïne uiteindelijk voor handel bestemd moet zijn geweest.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1
op 17 december 2024 te Aldwâld tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne;
2
in de periode van 16 december 2024 tot en met 17 december 2024 te Aldwâld, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft bewerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;
3
in de periode van 16 december 2024 tot en met 17 december 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren,

van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

- zich gelegenheid tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- (bedrijfs)ruimtes ( [adres 2] en/of [adres 2] en/of [adres 2] ) te huren en/of in gebruik te nemen en (aldaar)
- een grote hoeveelheid zogenaamd dragermateriaal voorhanden te hebben en/of
- een grote hoeveelheid jerrycans en/of vaten en/of (specie)kuipen en/of (andere soorten) verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën, brandstoffen en/of grondstoffen waaronder zoutzuur en/of diesel en/of benzine en/of hexaan en/of MEK en/of methylmethcrylaat en/of zwavelzuur en/of ammonia en/of calcium chloride en/of natriumhydroxide en/of actief kool en/of kattengrit aan te schaffen en/of voorhanden te hebben en/of
- meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(en) waaronder een roermotor en/of pers

en/of perscilinder en/of één of meerdere zeef/zeven en/of filtreerdoek(en) en/of intermediate bulk container(s) en/of (specie)kuip(en) en/of pan(nen) aan te schaffen en/of voorhanden te hebben.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6.Het bewijs

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de inhoud van de bewijsmiddelen. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Die aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
9. Motivering van de straf
9.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – conform de procesafspraken – gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 252 dagen, waarvan 152 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 168 uren subsidiair 84 dagen hechtenis.
9.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft – conform de procesafspraken – geen strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht om de procesafspraken te volgen.
9.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft zich beraden over de procesafspraken en heeft haar eigen afweging gemaakt bij het bepalen van de op te leggen straf. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen tijdens het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan het opzetten van een cocaïnewasserij, waar cocaïne geëxtraheerd werd uit betonmortel. Uit het onderzoek van de forensische opsporing blijkt dat het drugslaboratorium zeer professioneel was ingericht. In het drugslab is een grote hoeveelheid chemicaliën aangetroffen. De Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) heeft geconcludeerd dat hierdoor een grote kans op explosie- en brandgevaar was. Het drugslab was in een loods direct naast een camping en op een plek met omwonenden gesitueerd. Dit heeft veel gevaar voor de omgeving opgeleverd, zoals het ontstaan van ernstige gezondheidsschade en milieuschade door ontploffingen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Verdachte heeft kort voor de inwerkingtreding van het drugslab een uitvoerende rol als ‘manusje-van-alles’ vervuld, waarbij hij ondersteunende taken heeft verricht, zoals boodschappen doen en anderen vervoeren naar de loods. Verdachte is twee dagen bij de loods in [plaats] gezien. Uiteindelijk is hij ook in het laboratorium zelf aangetroffen bij de doorzoeking. Daar zijn dactyloscopische sporen en DNA van hem aangetroffen. Met zijn handelen heeft hij het drugslab gefaciliteerd. Het heeft er alle schijn van dat verdachte snel en gemakkelijk geld heeft willen verdienen en zich enkel heeft laten leiden door zijn eigen financiële gewin.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Procesafspraken
In de procesafspraken is opgenomen dat de officier van justitie zonder procesafspraken een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis passend en geboden zou vinden.
Bij een afdoening door middel van procesafspraken worden straf(proces)rechtelijke en maatschappelijke voordelen behaald. Het maken van procesafspraken dient een efficiënte en voortvarende behandeling van de zaak. Daarnaast bevordert het een effectieve afdoening ervan. Gelet op deze belangen is een ‘strafkorting’ van maximaal één derde bij procesafspraken – ook in internationaal verband – geen uitzondering. Voor de straftoemeting bij procesafspraken dient te worden beoordeeld of het afdoeningsvoorstel, rekening houdend met de hiervoor genoemde voordelen van een afdoening met procesafspraken, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de feiten.
De rechtbank is van oordeel dat de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging overeengekomen straf niet passend is, omdat – naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf – een taakstraf van slechts 168 uren wordt gevorderd. Het is de rechtbank bekend dat er een relatief grote bandbreedte voor straftoemeting in drugszaken bestaat, omdat de rol van een verdachte en de omstandigheden waaronder een drugszaak heeft plaatsgevonden sterk variëren. De bij dit feitencomplex voorgestelde straf zakt naar het oordeel van de rechtbank door de ondergrens van die bandbreedte. De rechtbank vindt het – gelet op de rol van verdachte die in de werkende cocaïnewasserij is aangetroffen, de strafdoelen van vergelding en preventie en de (hogere) straffen die zij oplegt aan de medeverdachten die gelijktijdig met verdachte worden veroordeeld – , niet te billijken dat in deze zaak een strafkorting van ongeveer 30% wordt toegepast op de gevangenisstraf èn de taakstraf. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie dan ook niet volgen voor het deel dat ziet op de taakstraf.
Straftoemeting
Uit het hiervoor genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad over procesafspraken [1] volgt dat er voor de strafrechter ruimte bestaat om tot een andere sanctiebeslissing te komen dan door de partijen is voorgesteld, indien hij van oordeel is dat de voorgestelde sanctiebeslissing niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak. Hierbij dient echter in het oog te worden gehouden of de sanctiebeslissing waartoe de rechtbank komt een (wezenlijk) ander oordeel is dan in het afdoeningsvoorstel is opgenomen. Als dat het geval is, dan ligt het in de rede om de strafzaak te heropenen en de officier van justitie en verdediging in de gelegenheid te stellen om nader het woord te voeren.
De rechtbank zal, naast de gevorderde gevangenisstraf, een taakstraf van 240 uren (de taakstraf die de officier van justitie zonder procesafspraken als uitgangspunt neemt) opleggen. Weliswaar raakt deze strafoplegging de ondergrens van de eerdergenoemde bandbreedte, maar de rechtbank is van oordeel dat die straf nog in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de strafbare feiten, de rol van verdachte en dat het maatschappelijke belang van vergelding hiermee voldoende is gediend. De rechtbank is van oordeel dat zij met deze sanctiebeslissing niet tot een (wezenlijk) ander oordeel komt dan in het afdoeningsvoorstel is opgenomen (de gevangenisstraf en de taakstraf), met name nu de afwijking enkel ziet op de op te leggen taakstraf en verdachte dus niet opnieuw in detentie hoeft.
Op te leggen straf
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van 252 dagen, waarvan 152 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen passend en geboden.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op
- artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 5is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
Ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;
Ten aanzien van feit 3:
medeplegen van voorbereiding of bevordering van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
252 (tweehonderdtweeënvijftig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
152 (honderdtweeënvijftig) dagen, van deze gevangenisstraf
niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast van
120 (honderdtwintig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. C. Bruil en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E. Willeboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 december 2025.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.