3.1Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig is geweest bij de procedure die tot de beslissing heeft geleid. Hoewel de opgeëiste persoon niet betwist dat het arrest in persoon aan hem is betekend, ontkent hij, bij monde van zijn raadsman, dat hij daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op hoger beroep of verzet. De verzetgarantie die in rubriek (d) van het EAB wordt geboden ziet bovendien enkel op buitengewone herzieningen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, nu sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder c, OLW.
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.De rechtbank zal daarom de beslissing van 22 september 2023 van
the Court of Appeal of Rome – 4th Criminal Divisiontoetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
In een brief van 25 november 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“a) When he was arrested by police[opgeëiste persoon] declared his address was “ [adres] ”(so, he rendered a declaration that was not a proper address) andelected domicile at the public defender’s office (Avv. Spadoni).He confirmed the above residence address and domicile election at the defender’s office also when he was asked by the Judge during the hearing of 22.2.2015 set for the validation of the arrest.
b)Boththe police and the Judge in charge of validating the arrestgave him the information provided by the law: that is, they informed him that he was required to communicate to the Judicial Authority any change of the elected domicile and that, in case he did not comply with this obligation, or in case he refused to elect any domicile or to give a correct address, or in case the address he gave was not sufficient or adequate,
summonses would be made delivering them to his defender”.
[opgeëiste persoon] refused to sign the record written by the police, buthe signed the record of
the hearing before the Judge.
As he never changed the initial declaration and domicile election, every consecutive summons was made at the same domicile, that is at avv. Spadoni's office and, when it
was no more possible, to the defender that was appointed by the Court.
After the judgment became final,the execution order issued by the General Public
Prosecutor on 19.4.2024 was summoned to [opgeëiste persoon] ,who personally received it on the 28th September 2024 in Groningen, [adres], after a request for judicial assistance from the Italian Judicial Authorities to the Dutch ones.
Finally, [opgeëiste persoon] was informed that, in case the trial took place in absentia, in 30 days he could ask for “restituzione nel termine”(a new deadline to appeal) or for “rescissione” (retrial) and that the request should be presented to the Court of Appeal (see point III).
In the following 30 days no application and no request was presented by [opgeëiste persoon] .”
Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c, onder 2 OLW niet aan de orde. Uit de aanvullende informatie van 25 november 2025 blijkt dat de “
execution order” in persoon aan de opgeëiste persoon is betekend en dat hij er daarbij op is gewezen dat hij een nieuwe termijn voor hoger beroep kan vragen of om een “
retrial” kan verzoeken. In de eerste plaats is onduidelijk of de “
execution order” ook de beslissing omvatte waarbij de vrijheidsbenemende straf is opgelegd. Daarnaast staat in de aanvullende informatie weliswaar dat de opgeëiste persoon is gewezen op het recht, indien sprake was van een procedure
in absentia, om rechtsmiddelen in te stellen, maar niet dat hij daarbij is geïnformeerd dat het gaat om rechtsmiddelen “waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en tijdens welke de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing”, zoals bedoeld in artikel 12, sub c, OLW.
De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering voor de tenuitvoerlegging van dit arrest te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 25 november 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn aanhouding in de onderhavige zaak, desgevraagd, zowel bij de politie als bij de rechter een onjuist woonadres heeft opgegeven en dat hij domicilie heeft gekozen bij de aan hem toegewezen advocaat. Zowel door de politie als door de rechter is hij gewezen op de verplichting om domiciliewijziging door te geven aan de rechterlijke autoriteiten en is hij erover geïnformeerd dat als hij niet aan die verplichting zou voldoen, oproepingen aan het kantooradres van zijn toegewezen advocaat zouden worden verzonden. De opgeëiste persoon heeft geen adreswijzigingen doorgegeven en de oproepingen zijn verstuurd aan de kantooradressen van de aanvankelijk toegewezen advocaat en diens opvolgers. Verder acht de rechtbank relevant dat de (tenuitvoerleggings)beslissing op 19 april 2024 aan de opgeëiste persoon in persoon is betekend, waarbij hij is gewezen op de beschikbare rechtsmiddelen, maar dat de opgeëiste persoon vervolgens geen enkele actie heeft ondernomen om daarvan gebruik te maken. Voor zover de opgeëiste persoon hiermee al niet impliciet afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie en met betrekking tot de hem geboden mogelijkheden om na de verstekveroordeling alsnog gebruik te maken van zijn verdedigingsrechten.