ECLI:NL:RBAMS:2025:10064

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
11915967 \ CV EXPL 25-13856
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake consumentenrecht en oneerlijke bedingen in uitvaartovereenkomst

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 11 december 2025 een tussenuitspraak gedaan in een civiele procedure tussen de naamloze vennootschap Monuta Uitvaartverzorging N.V. en een consument die niet is verschenen. De eisende partij vorderde betaling van € 7.075,25 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, voor verleende uitvaartdiensten. De kantonrechter heeft ambtshalve getoetst aan het consumentenrecht, waarbij de informatieplichten van de eisende partij centraal stonden. De eisende partij stelde dat de overeenkomst bij de overledene thuis was gesloten, maar heeft niet voldoende gemotiveerd dat zij aan de informatieplichten heeft voldaan. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de uiteindelijke factuur veel hoger was dan de vooraf gegeven kostenbegroting, wat om toelichting vraagt. Daarnaast zijn er bedingen in de algemene voorwaarden van de eisende partij die als oneerlijk zijn aangemerkt, waaronder het rentebeding en de bedingen over buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten. De kantonrechter heeft geconcludeerd dat deze oneerlijke bedingen de consument niet binden, waardoor de eisende partij geen aanspraak kan maken op de gevorderde kosten. De zaak is verwezen naar de rol voor akte uitlating door de eisende partij, waarbij deze ook de gedaagde partij moet informeren. De verdere beslissing is aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11915967 \ CV EXPL 25-13856
Vonnis van 11 december 2025
in de zaak van
de naamloze vennootschap
MONUTA UITVAARTVERZORGING N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
eisende partij,
gemachtigde: M.F.M. Bunnik,
tegen
[gedaagde],
handelende onder de naam
[handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 oktober 2025, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 7.075,25 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Eisende partij stelt diensten te hebben verleend, bestaande uit het verzorgen van een uitvaart. De daarop betrekking hebbende factuur heeft gedaagde partij niet betaald.
2.2.
Eisende partij is een handelaar. Gedaagde partij is een consument. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. Getoetst moet onder meer worden of eisende partij heeft voldaan aan de informatieplichten. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.3.
In het kader van de informatieplichten stelt eisende partij dat de overeenkomst bij de overledene thuis is gesloten. Het betreft dan ook een overeenkomst buiten de verkoopruimte, waarop de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230t van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing zijn.
2.4.
Eisende partij heeft in de dagvaarding niet gemotiveerd gesteld dat zij heeft voldaan aan deze informatieplichten. Zij stelt alleen dat het ontbindingsrecht niet van toepassing is, gelet op artikel 16 van de Wet op de lijkbezorging. Dat volstaat niet. Eisende partij dient bij akte gemotiveerd te stellen op welke wijze zij heeft voldaan aan de informatieplichten voortvloeiend uit de hiervoor genoemde wetsartikelen.
2.5.
Voorafgaand aan de uitvoering van de overeengekomen diensten is een kostenbegroting verstrekt. Aan de hand daarvan wordt vastgesteld dat de prijs op duidelijke en begrijpelijke wijze is geformuleerd, zodat het prijsbeding niet kan worden getoetst op oneerlijkheid.
2.6.
Wel dient eisende partij toe te lichten waarom de uiteindelijke factuur ruim € 800,- hoger is uitgevallen dan vooraf begroot.
2.7.
Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. Eisende partij stelt dat de vordering daar niet op is gebaseerd. Dat is voor het ambtshalve onderzoek echter niet relevant. Voor ieder onderdeel van de vordering moet worden onderzocht of daar iets in de overeenkomst over is afgesproken. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.8.
In de algemene voorwaarden staan bedingen over rente, buitengerechtelijke kosten en gerechtelijke kosten (proceskosten). Deze bedingen moeten, gelet op het voorgaande, worden getoetst op oneerlijkheid. De bedingen staan in artikel 9.4 en 9.5 van de algemene voorwaarden en luiden:
9.4
De betalingstermijn geldt als fatale termijn. De Uitvaartverzorger is gerechtigd over een betaling die niet tijdig is verricht rente in rekening te brengen over de periode dat de Opdrachtgever met de voldoening daarvan in verzuim is. Dit verzuim vangt aan op de eerste dag na het verstrijken van de betalingstermijn en is gelijk aan 1% per maand of gedeelte van de maand waarbij een gedeelte van de maand als gehele maand wordt berekend. De Opdrachtgever is derhalve van rechtswege in verzuim wanneer niet tijdig is betaald zonder dat daartoe enige sommatie of ingebrekestelling is vereist.
9.5
Bij niet-betaling binnen de termijn als genoemd in lid 4 van dit artikel is de Uitvaartverzorger gerechtigd alle kosten, zowel buitengerechtelijk als gerechtelijk, voor zover zulks niet is uitgesloten in artikel 96 lid 2 sub c van het Burgerlijk wetboek, in rekening te brengen. Buitengerechtelijke kosten bedragen 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van € 25,00.
2.9.
Het rentebeding wordt als oneerlijk aangemerkt, omdat het rentepercentage van 1% per maand bijna twee keer zo hoog is als het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op 8 december 2024 geldende wettelijke rentepercentage, zonder dat hiervoor een geldige reden in het beding is genoemd, waardoor het een onevenredig hoge schadevergoeding wordt geacht te zijn.
2.10.
Het beding over de buitengerechtelijke kosten wordt als oneerlijk aangemerkt, omdat op grond van het beding zonder limiet kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht. Weliswaar staat er een verwijzing naar een artikel zonder het betreffende boek uit het BW aan te duiden, maar die maakt het beding niet eerlijk. De wettelijke regeling kent immers strenge eisen voordat buitengerechtelijke kosten verschuldigd kunnen raken, terwijl die eisen niet volgen uit het beding. Het beding heeft een bredere strekking dan de incassokosten die op grond van de wet zijn te vorderen. Anders gezegd, met een beroep op het beding kan ten nadele van de consument worden afgeweken van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is. Dat maakt het beding al oneerlijk (zie ECLI:NL:HR:2023:198).
2.11.
Het beding over de gerechtelijke kosten (proceskosten) is ook oneerlijk. Het beding over gerechtelijke kosten geeft eisende partij de mogelijkheid om alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus ook de volledige kosten van bijvoorbeeld een advocatenkantoor. Dat is normaal gesproken slechts voorbehouden aan zeer bijzondere omstandigheden, zoals misbruik van recht. Een beding op grond waarvan alle gerechtelijke kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht is als oneerlijk aan te merken. Dat is door de Hoge Raad bevestigd (ECLI:NL:HR:2025:820).
2.12.
Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen van een oneerlijk proceskostenbeding op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de kantonrechter voornemens de proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93/13/EG en de eerder in overweging 2.6 aangehaalde, vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’.
2.13.
Oneerlijke bedingen binden de consument niet. Eisende partij kan daardoor ook geen rechtsgeldig beroep meer doen op de wettelijke regelingen die van toepassing zouden zijn zonder de oneerlijke bedingen. Dat heeft tot gevolg dat eisende partij geen aanspraak heeft op de gevorderde rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.14.
Voordat de kantonrechter de bedingen buiten toepassing laat, mag eisende partij zich daarover uitlaten.
2.15.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor akte uitlating door eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.4, 2.6 en 2.14.
2.16.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.17.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
donderdag 15 januari 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating door eisende partij,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.16,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025.
991