ECLI:NL:RBAMS:2024:8681

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2024
Publicatiedatum
12 februari 2025
Zaaknummer
13/195444-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen diefstal met bedreiging van koffer en tas in Diemen

Op 14 juni 2024 heeft verdachte samen met anderen in Diemen een koffer en tas van het slachtoffer weggenomen door deze uit haar handen te rukken, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld. Verdachte werd kort na het feit aangehouden nabij de plaats delict, waarbij zijn kleding en schoenen overeenkwamen met die op camerabeelden.

De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleger was, ondanks dat hij niet zelf de tas of koffer vasthad, vanwege de nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders. De bedreiging met geweld werd bewezen geacht op basis van getuigenverklaringen en de omstandigheden van het feit. Verdachte bood een alternatief scenario voor zijn aanwezigheid, maar dit werd niet aannemelijk geacht.

De rechtbank achtte het feit ernstig vanwege de impact op het slachtoffer, die nog maanden later mentale gevolgen ondervond. Verdachte had geen strafblad voor soortgelijke feiten. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 90 dagen op, waarvan 65 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 120 uur met vervangende hechtenis van 60 dagen bij niet-nakoming.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf waarvan 65 dagen voorwaardelijk en 120 uur taakstraf voor medeplegen van diefstal met bedreiging.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/195444-24
Datum uitspraak: 24 december 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres 1] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 december 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.T. Haak, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T.G.M. Houben, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 14 juni 2024 te Diemen heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal van een koffer en/of tas van [aangever] (hierna: [aangever] ).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu aan de hand van het dossier, en gelet op zijn ontkennende verklaring, niet kan worden bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Herkenning verdachte
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte
de middelste man in het rijtje is dat op de stills van de camerabeelden te zien is.
Verdachte is kort nadat het feit is gepleegd bij Het Tolhek aangehouden, welke straat op tien minuten loopafstand ligt van het appartementencomplex waar het feit heeft plaatsgevonden. Uit de omschrijving van zijn kleding en de foto’s van verdachte op het politiebureau blijkt dat zijn kleding wat betreft opvallende en unieke onderdelen overeenkomt met een van de personen die op de camerabeelden is gezien bij het plegen van het feit. Verdachte droeg net als de persoon op de camerabeelden een zwarte broek en een vest dat lichter is dan die broek. Getuige [getuige 1] verklaart dat hij de wegrennende jongens heeft gevolgd en dat hij zag dat een van hen zijn vest om zijn middel had geknoopt. Verdachte is aangehouden met zijn vest om zijn middel geknoopt. De meest opvallende en unieke overeenkomst is echter de schoenen van verdachte met die van de persoon op de camerabeelden. Op de camerabeelden van [cameranummer] is duidelijk te zien dat de persoon die in het midden rent witte Nike schoenen draagt met een zwarte zool en een zwart logo. Dit zijn hetzelfde soort schoenen als die verdachte droeg op het moment van zijn aanhouding, kort nadat het feit gepleegd was. De combinatie van de witte gympen met de zwarte zool en een zwarte Nike swoosh acht de rechtbank specifiek en onderscheidend.
Verdachte heeft een alternatief scenario geboden voor zijn aanwezigheid in de omgeving van het ten laste gelegde, kort nadat dit had plaatsgevonden. Verdachte heeft verklaard dat hij met de taxi bij Diemen Zuid is afgezet en naar het huis van zijn (inmiddels ex-)vriendin is gelopen, die in Diemen woont. Dit scenario heeft verdachte echter op geen enkele manier aannemelijk gemaakt en vindt ook overigens geen steun in het dossier. Ter zitting heeft verdachte het adres van zijn ex-vriendin opgegeven, [adres 2] . Dit adres is onvindbaar op het internet en lijkt niet te bestaan. Verdachte heeft niet via de bestelapp van de taxi aangetoond dat hij die taxi heeft genomen en ook zijn ex-vriendin heeft geen verklaring gegeven ter ondersteuning van zijn verklaring.
Nu verdachte in de buurt van het appartementencomplex, kort na het gepleegde feit en in dezelfde kleding als de persoon op de beelden is aangetroffen, oordeelt de rechtbank dat het niet anders kan dan dat verdachte de persoon op de beelden is.
Bedreiging met geweld
De bedreiging met geweld om de diefstal gemakkelijk te maken acht de rechtbank ook bewezen. Verdachte en zijn medeverdachten waren verhuld gekleed en zijn met hoge snelheid afgerend op [aangever] . Zij stond op dat moment alleen op straat. Vervolgens hebben de twee medeverdachten hardhandig de tas van [aangever] weggenomen en daarna haar koffer. Deze gedragingen zijn van dien aard en zijn onder zulke omstandigheden gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees (voor geweld) kunnen opwekken. Gelet op de aangifte van [aangever] heeft het ook daadwerkelijk dit effect gehad. Zij is daarbij na het gepleegde feit naar een andere plek toegelopen uit angst dat de mannen terug zouden komen. Zij heeft toen de koffer die zij nog wel tot haar beschikking had laten staan.
Medeplegen
De volgende vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet, is of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de ten laste gelegde diefstal nu hij niet degene is geweest die de tas en/of de koffer in handen heeft gehad. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezenverklaard kan worden wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Uit de getuigenverklaring van [getuige 2] blijkt dat verdachte en de medeverdachten eerst met zijn drieën op een bankje bij het appartementencomplex zaten. Hier zijn zij samengekomen voorafgaand aan het feit. Uit de stills van de camerabeelden rondom het complex blijkt dat verdachte en de medeverdachten samen naar [aangever] zijn toegerend. Op deze stills is eveneens te zien dat de mannen allen donkere kleding en gezichtsbedekking droegen. Uit de aangifte, de stills en de getuigenverklaring van [getuige 2] blijkt verder dat verdachte en de medeverdachten samen in dezelfde richting zijn weggerend op het moment dat de diefstal was voltooid. Uit al deze handelingen – het vooraf verzamelen, het dragen van gelijkende verhullende kleding en het samen op- en wegrennen – blijkt dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan waarbij alle daders een wezenlijke bijdrage hadden. De rollen bij het plegen van dit feit waren ook inwisselbaar.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat sprake is van een intellectuele en/of materiële bijdrage van verdachte van voldoende gewicht. Hoewel verdachte niet zelf de koffer of tas uit de handen van [aangever] heeft getrokken, heeft hij een materiële bijdrage gelegd aan het ten laste gelegde feit. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Verdachte heeft immers alle overige stappen van het plan samen met de medeverdachten uitgevoerd en met zijn aanwezigheid heeft hij de daad meer kracht bijgezet.
Gelet op voornoemde en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 14 juni 2024 te Diemen, tezamen en in vereniging met anderen een tas en een koffer die aan [aangever] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door
  • voorzien van donkere kleding en een sjaal, althans voorzien van een gedeeltelijk bedekt gezicht, zich naar de voordeur van het appartementencomplex van voornoemde [aangever] te begeven en
  • met grote snelheid op voornoemde [aangever] af te rennen en
  • vervolgens de tas van voornoemde [aangever] vast te pakken en deze met kracht uit de handen van voornoemde [aangever] te trekken en
  • vervolgens de koffer van voornoemde [aangever] vast te pakken en
  • vervolgens met de tas en koffer weg te rennen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 65 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Daarbij heeft de officier van justitie een taakstraf gevorderd van 120 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, de rechtbank een lagere straf dient op te leggen dan is gevorderd, gelet op de geringe rol van verdachte bij de diefstal.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst feit
Het door verdachte gepleegde feit betreft een bijzonder ernstig feit. Wanneer iemand bij zijn huis beroofd wordt, levert dit een groot gevoel van onveiligheid op bij het slachtoffer. Wanneer dit feit wordt gepleegd door drie daders terwijl het slachtoffer alleen is, worden deze gevoelens van onveiligheid en angst alleen maar groter. Het slachtoffer in deze zaak heeft ter zitting ook verklaard dat dit feit maanden later nog steeds grote mentale gevolgen voor haar heeft gehad. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij deze gevolgen teweeg heeft gebracht en dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.
Straf
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 20 juni 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Het strafblad van verdachte zal de rechtbank dan ook niet in strafverzwarende of strafverminderende zin meewegen bij de straftoemeting.
De oriëntatiepunten van de rechtbank noemen voor een tasjesroof met een enkele ruk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden als uitgangspunt. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte het feit in vereniging heeft gepleegd.
Gelet op voornoemde omstandigheden acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank zal dan ook een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 65 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar opleggen. Daarbij acht de rechtbank eveneens een taakstraf van 120 uur passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
90 (negentig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
65 (vijfenzestig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van
120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
60 (zestig) dagen.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. C.W. Bianchi en J. Thomas, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2024.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.