De rechtbank Amsterdam heeft op 18 december 2024 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van oplichting. De officier van justitie vorderde vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en betaling van €10.500,- aan de Staat.
De rechtbank oordeelde dat verdachte inderdaad voordeel heeft genoten van €10.500,-, gebaseerd op de feiten en het rapport over wederrechtelijk verkregen voordeel. De vordering van de benadeelde partij wordt niet in mindering gebracht omdat het bedrag nog niet is voldaan. Hoewel sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met elf maanden, acht de rechtbank dat de compensatie in de strafzaak voldoende is en beperkt zich tot de vaststelling van de inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM.
De rechtbank legt de betalingsverplichting van €10.500,- op aan verdachte en bepaalt de maximale duur van gijzeling op 210 dagen. Hiermee wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen conform artikel 36e Sr.