Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:8430

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2024
Publicatiedatum
13 januari 2025
Zaaknummer
13/269033-20 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6, eerste lid, EVRMArt. 6:6:26 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na medeplegen oplichting

De rechtbank Amsterdam heeft op 18 december 2024 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van oplichting. De officier van justitie vorderde vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en betaling van €10.500,- aan de Staat.

De rechtbank oordeelde dat verdachte inderdaad voordeel heeft genoten van €10.500,-, gebaseerd op de feiten en het rapport over wederrechtelijk verkregen voordeel. De vordering van de benadeelde partij wordt niet in mindering gebracht omdat het bedrag nog niet is voldaan. Hoewel sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met elf maanden, acht de rechtbank dat de compensatie in de strafzaak voldoende is en beperkt zich tot de vaststelling van de inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM.

De rechtbank legt de betalingsverplichting van €10.500,- op aan verdachte en bepaalt de maximale duur van gijzeling op 210 dagen. Hiermee wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen conform artikel 36e Sr.

Uitkomst: Verdachte is verplicht tot betaling van €10.500,- aan de Staat wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/269033-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 18 december 2024
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/269033-20, tegen:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres].

1.Onderzoek op de zitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sondermeijer, en van wat zij en [veroordeelde] en zijn raadsman, mr. A.D. Kloosterman, naar voren hebben gebracht tijdens het onderzoek op de zitting van 4 december 2024.

2.Ontnemingsvordering

De vordering van de officier van justitie van 23 februari 2022 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 10.500,-.

3.Grondslag van de vordering

De rechtbank maakt uit de stukken waarop de vordering berust en waarnaar de officier van justitie ter onderbouwing van de vordering verwijst op dat die is gegrond op het feit waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld. [veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2024 voor het volgende strafbare feit veroordeeld:
-
medeplegen van oplichting

4.Wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [veroordeelde] € 10.500,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat als de vordering van de benadeelde partij bij vonnis in de strafzaak is toegewezen, de vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [veroordeelde] door middel van voornoemd strafbaar feit
voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 10.500,-. De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen van het vonnis van 18 december 2024 in de onderliggende strafzaak zijn vervat en het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 19 januari 2020, zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.
De rechtbank zal de aan de benadeelde partij toegekende vordering, zoals bij vonnis van de strafzaak van 18 december 2024 is bepaald, niet in mindering brengen op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, omdat het bedrag waartoe [veroordeelde] is veroordeeld (nog) niet is voldaan.
De omstandigheid dat [veroordeelde] bij oplegging van een ontnemingsmaatregel te maken zou krijgen met meerdere schuldeisers betekent nog niet dat hij in een rechtens te respecteren belang wordt getroffen.
[veroordeelde] kan, als hij de benadeelde partij en/of de Staat ten behoeve van die benadeelde partij (deels) heeft betaald, op grond van artikel 6:6:26 van Pro het Wetboek van Strafvordering een onderbouwd verzoek doen tot het verminderen van het ontnemingsbedrag. (artikel 36e lid 9 van het Wetboek van Strafrecht en HR 29 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:124.)

5.Verplichting tot betaling

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op hetzelfde bedrag als het door de officier van justitie geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk € 10.500,-.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de betalingsverplichting rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De ontnemingsvordering is op 23 februari 2022 ingediend, zodat de redelijke termijn met elf maanden is overschreden. De Hoge Raad hanteert hierbij als uitgangspunt dat er tien procent in mindering wordt gebracht op het te betalen bedrag.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 10.500,-.
De rechtbank heeft geconstateerd dat sprake is van een aanzienlijke schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De rechtbank is echter van oordeel dat [veroordeelde] al voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak aan hem opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn. De rechtbank vindt daarin aanleiding in onderhavige ontnemingszaak te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

6.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

7.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 10.500,- (tienduizend vijfhonderd euro).
Legt op aan
[veroordeelde]de verplichting tot betaling van € 10.500,- (tienduizend vijfhonderd euro) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 210 (tweehonderdtien) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. Bode, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2024.
[...]
5.2
[...]