Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
28 januari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het hof terecht heeft geoordeeld dat de door een mededader volledig betaalde vordering aan de benadeelde partij niet in mindering mocht worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene. Betrokkene was hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding, maar had deze niet zelf voldaan.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene geschat op €1.929 en de betaling door een mededader aan de benadeelde partij niet als vermindering meegenomen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat artikel 36e lid 9 Sr alleen ziet op bedragen die door betrokkene zelf zijn voldaan.
De Hoge Raad wees erop dat deze regeling voorkomt dat iemand hetzelfde voordeel meermalen moet terugbetalen aan verschillende partijen. Tevens werd opgemerkt dat betrokkene, indien hij alsnog zijn aandeel betaalt, op grond van artikel 6:6:26 lid 1 Sv Pro een verzoek tot vermindering van de ontnemingsmaatregel kan indienen.
Het beroep van betrokkene werd verworpen, waarmee het arrest van het hof werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat betaling door een mededader niet leidt tot vermindering van het door betrokkene te betalen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.