Partijen, die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kind uitoefenen, verzochten de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen tot wijziging van de kinderalimentatie. De man vroeg een verlaging van de bijdrage naar € 87,- per maand, terwijl de vrouw een verhoging naar € 637,- per maand vorderde.
De rechtbank stelde vast dat aan het vereiste van samenhang met de hoofdvordering was voldaan, waardoor partijen ontvankelijk waren. Echter ontbrak het bij beide verzoeken aan het spoedeisendheidsvereiste, omdat onvoldoende was onderbouwd dat het niet redelijk was om de bodemprocedure af te wachten. De man had onvoldoende inzicht gegeven in zijn draagkracht en de behoeften van de andere kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is, terwijl de vrouw slechts een geringe verhoging vorderde zonder voldoende spoedeisend belang.
De rechtbank oordeelde dat het loonbeslag wegens stopzetting van betalingen aan de man zelf was toe te rekenen en dat hij had moeten blijven betalen. Gelet op deze omstandigheden werden beide verzoeken niet-ontvankelijk verklaard en werd de bestaande alimentatiebijdrage gehandhaafd.