De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek van het Openbaar Ministerie om bestuurders van de Stichting Islamitische School Amsterdam definitief te ontslaan na eerdere schorsingen vanwege financiële risico's. De bestuurders werden geschorst omdat de stichting door hun aanblijven een faillissementsrisico liep. Het OM vorderde hun ontslag en benoeming van tijdelijke bestuurders.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor taakverwaarlozing door de bestuurders, ondanks het aanhouden van financiële problemen en procedures tegen ministeriële bekostigingsbesluiten. Wel waren er andere gewichtige redenen die het ontslag rechtvaardig maakten, met name het belang van continuïteit en rust binnen de stichting en de voorwaarden van de minister voor hervatting van bekostiging.
De tijdelijke bestuurders werden benoemd tot definitieve bestuurders, gezien hun voortvarende aanpak en het herstel van het contact met externe partijen. Een bestuursverbod werd niet opgelegd omdat de bestuurders geen ernstig verwijt kon worden gemaakt. De rechtbank bepaalde tevens dat de nieuwe bestuurders een redelijke vergoeding mogen toekennen en wees verdere verzoeken af.