Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:6016

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 september 2024
Publicatiedatum
1 oktober 2024
Zaaknummer
752759
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbankenHR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking kort geding over beëindiging bankrelatie

Eisers hebben een kort geding aangespannen tegen ING naar aanleiding van de beëindiging van hun bankrelatie in februari 2024. De zitting stond gepland op 14 augustus 2024, maar werd door eisers ingetrokken voordat deze plaatsvond. ING verzocht daarop om proceskostenveroordeling op grond van artikel 8.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen.

De rechtbank overweegt dat een verzoek tot proceskostenveroordeling na intrekking binnen veertien dagen moet worden ingediend en dat toewijzing afhankelijk is van de reden van intrekking. ING stelde dat sprake was van misbruik van procesrecht vanwege de evidente ongegrondheid van de vordering, maar eisers reageerden niet op verzoeken om opheldering.

De rechtbank oordeelt dat zonder inhoudelijke behandeling niet kan worden vastgesteld dat de vordering evident ongegrond was en dat er geen sprake is van misbruik of onrechtmatig procederen. Daarom wijst zij een volledige vergoeding van werkelijke advocaatkosten af en veroordeelt zij eisers tot betaling van proceskosten volgens het liquidatietarief, begroot op € 1.973,00.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de overige verzoeken zijn afgewezen.

Uitkomst: Eisers worden veroordeeld tot betaling van proceskosten aan ING volgens het liquidatietarief, totaal € 1.973,00.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
Zaaknummer: C/13/752759 / KG ZA 24-537 IHJK/MAH
Vonnis in kort geding van 27 september 2024
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
2.
[eiser 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
3.
HAABER GROUP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
4.
BPM HUYS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisers bij concept-dagvaarding van 24 juni 2024,
hierna samen te noemen: eisers,
advocaat: mr. A. (Adil [1] ) Mao te Schiedam,
tegen
de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ING,
advocaat: mr. M.E.G. Murris

1.Inleiding

1.1.
ING heeft de bankrelatie met [eiser 1] in februari 2024 opgezegd. Op 24 juni 2024 hebben eisers bij de voorzieningenrechter een datum voor een kort geding tegen ING aangevraagd. De zitting zou plaatsvinden op (aanvankelijk 7 juli 2024 maar is verplaatst naar) woensdag 14 augustus 2024 om 9:30 uur. In de (concept)dagvaarding, vorderen eisers veroordeling van ING tot herstel en voortzetting van de bankrelatie met hen. ING heeft de (concept)dagvaarding ontvangen.
1.2.
Partijen hebben vervolgens, voorafgaand aan de geplande zittingsdatum, met elkaar gecorrespondeerd. ING heeft aan [eiser 1] bij email van 18 juli 2024 laten weten dat zij geen ruimte ziet voor een minnelijke regeling.
1.3.
De advocaten van ING hebben vervolgens een conclusie van antwoord opgesteld, die zij naar eigen zeggen op 6 augustus 2024 aan ING hebben toegestuurd.
1.4.
Mr. Mao heeft daarop op 13 augustus 2024 om 15:49 uur met een intrekkingsbericht in het digitaal dossier het kort geding ingetrokken.
De zitting heeft geen doorgang gevonden.
1.5.
ING heeft op 28 augustus 2024 verzocht, op grond van artikel 8.1
Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, eisers bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot betaling van de werkelijke proceskosten aan de zijde van ING, bestaande uit de advocaatkosten ad € 11.083,00 incl. BTW, onder andere voor de voorbereidingen aan de conclusie van antwoord, plus griffierechten en eventuele nakosten. Subsidiair heeft ING verzocht de proceskosten te berekenen volgens het liquidatietarief.

2.De beoordeling

2.1.
In artikel 8.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken is, in navolging van HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, voorzien in de mogelijkheid om na intrekking van een kortgedingprocedure te beslissen op een verzoek van gedaagde om eiser te veroordelen in de proceskosten. Een dergelijk verzoek moet worden ingediend binnen 14 dagen na de datum waartegen de gedaagde was opgeroepen. Het is niet zonder meer gezegd dat ING, die tijdig het verzoek heeft ingediend om ten laste van eisers een proceskostenveroordeling uit te spreken, die ook zonder meer verkrijgt. Bezien moet worden om welke reden(en) de intrekking heeft plaatsgevonden. Een vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten in afwijking van het liquidatietarief is bovendien alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen.
2.2.
Eisers hebben ondanks herhaald verzoek niet gereageerd op het verzoek van ING van 28 augustus 2024 om eisers in de kosten te veroordelen. Eisers hebben dus ook niet betwist dat ING kosten heeft gemaakt voor de voorbereiding van de zitting. ING heeft dat ook onderbouwd door overlegging van een concept conclusie van antwoord. Ook overigens komt het verzoek niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat het zal worden toegewezen. Resteert de vraag of de kosten moeten worden berekend volgens het gebruikelijke liquidatietarief of dat - zoals ING primair verzoekt - de door ING gestelde daadwerkelijke kosten moeten worden toegewezen.
2.3.
ING voert aan dat sprake is van misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig procederen. Gelet op de evidente ongegrondheid van de vordering en in verband met de betrokken belangen van ING hadden eisers het instellen van de vordering achterwege moeten laten. Op een verzoek om te verklaren waarom het kort geding op het allerlaatste moment is ingetrokken hebben eisers niet gereageerd, aldus steeds ING.
2.4.
Nu eisers niet hebben gereageerd op het verzoek van ING, blijft de reden van intrekking onbekend. In februari 2024 heeft ING de bankrelatie met eisers beëindigd wegens verdenking van grootschalige taxatiefraude in de autobranche. Of de (ingetrokken) vordering van eisers evident ongegrond was, kan zonder een inhoudelijke behandeling niet zomaar worden aangenomen. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen is daarom geen sprake, zodat een veroordeling in de werkelijke proceskosten hier niet op zijn plaats is.
2.5.
De slotsom is dat eisers zullen worden veroordeeld in de proceskosten, waarbij het salaris advocaat wordt berekend volgens het liquidatietarief. Deze proceskosten van ING worden begroot op:
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.973,00

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
3.1.
veroordeelt eisers tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ING, een bedrag van € 1.973,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
3.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings , voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2024.
Type: MAH
Coll: MV

Voetnoten

1.BAR-nummerA31664