SchipholTaxi had een overeenkomst met taxichauffeurs, waaronder eiser, voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn van één maand. In april 2022 zegde SchipholTaxi alle overeenkomsten op om nieuwe, flexibelere overeenkomsten te sluiten, maar bood eiser geen nieuwe overeenkomst aan. Eiser betwistte de opzegging en stelde dat opzegging alleen met een zwaarwegende reden mogelijk is, mede vanwege de betaalde instapvergoeding van €10.000.
De rechtbank oordeelt dat de opzegging niet rechtsgeldig is omdat de flexibiliteitswens van SchipholTaxi geen zwaarwegende grond vormt. De instapvergoeding en de aard van de overeenkomst scheppen verwachtingen dat opzegging niet lichtvaardig kan plaatsvinden. SchipholTaxi heeft onrechtmatig gehandeld en is schadeplichtig.
SchipholTaxi stelde dat eiser zijn rechten had verwerkt door te berusten in de opzegging, maar de rechtbank verwierp dit. Eiser heeft tijdig geprotesteerd en de omstandigheden rechtvaardigen geen rechtsverwerking. De zaak wordt verwezen naar de rol voor nadere behandeling van de schade en het causaal verband.
De rechtbank bevestigt dat de opzegging slechts mogelijk is bij een zwaarwegende grond en dat de opzegtermijn van één maand niet betekent dat opzegging zonder reden is toegestaan. De zaak wordt aangehouden voor verdere procedure over de schadevergoeding.